ECLI:NL:RBZUT:2004:AU0582
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid broers wegens seksueel misbruik in jeugd
De zaak betreft een civiele procedure waarin eiseres de broers aansprakelijk stelt voor seksueel misbruik gepleegd tussen 1977 en 1985 tijdens haar jeugd. Eiseres heeft jarenlang psychische klachten gehad die door behandelaars worden toegeschreven aan het misbruik. In 2002 deed zij aangifte, waarna de politie aangaf dat de strafrechtelijke verjaring was ingetreden en verwees naar een civielrechtelijke procedure.
De broers voerden verjaring aan op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro, stellende dat de verjaringstermijn in 1993 zou zijn begonnen toen eiseres voor het eerst therapie kreeg. De rechtbank oordeelt dat het verwerkingsproces van het slachtoffer bepalend is voor het aanvangsmoment van de verjaring en dat eiseres pas medio 2002, bij haar aangifte, daartoe in staat was.
De rechtbank concludeert dat de vordering niet is verjaard en dat eiseres wordt toegelaten tot bewijslevering, waaronder het horen van getuigen. De zaak wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen getuigen aan te geven en verdere procedurele stappen te nemen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de vordering niet is verjaard en staat bewijslevering toe, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.