ECLI:NL:RBZUT:2004:AR7032
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verloren kans op WAO-aanvulling voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer
In deze zaak staat centraal of eiseres, gedeeltelijk arbeidsongeschikt, aanspraak kan maken op een aanvulling op haar WAO-uitkering op grond van artikel 13 § 4 lid 2 van de toepasselijke CAO, waarvan het verzoekschrift niet tijdig is ingediend door haar advocaat. De rechtbank onderzoekt welke beslissing het scheidsgerecht redelijkerwijs zou hebben genomen indien het verzoek tijdig was ingediend, rekening houdend met de regelgeving en jurisprudentie uit de relevante periode (september 1996 tot februari 1997).
De rechtbank concludeert dat de bewoordingen van artikel 13 § 4 lid 2, gelezen in samenhang met het gehele artikel 13, uitsluitend betrekking hebben op volledig arbeidsongeschikte werknemers. De CAO bevat geen duidelijke aanwijzing dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten aanspraak kunnen maken op deze aanvulling. Latere CAO-wijzigingen die wel rechten aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten toekennen, zijn niet relevant voor de periode in kwestie.
Eiseres stelt dat deze uitleg in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, goed werkgeverschap en het verbod op willekeur, maar de rechtbank wijst dit af omdat het scheidsgerecht niet bevoegd is om de CAO buiten toepassing te verklaren of aan te vullen. De verloren kans op een gunstig resultaat wordt daarom op nihil gesteld en eiseres heeft geen schade geleden door de beroepsfout van haar advocaat. De vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, de overige vorderingen afgewezen, en partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De verloren kans op een gunstig resultaat wordt op nihil gesteld en eiseres krijgt een schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming van haar advocaat.