ECLI:NL:RBZUT:2004:AR6640
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling van huurrechten na ontbinding huwelijk bij afzonderlijke huurovereenkomsten
De man en vrouw, die in 1963 in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in 2002 zijn gescheiden, hebben ieder afzonderlijk huurovereenkomsten gesloten voor verschillende percelen weiland. De man huurt een perceel grond via een schriftelijk contract, terwijl de vrouw twee percelen via een mondelinge overeenkomst huurt.
Na de ontbinding van hun huwelijk en de partiële verdeling van hun gemeenschap van goederen, bleven de huurrechten buiten deze verdeling. De man vordert dat de huurrechten worden verdeeld zodat hij het perceel dat hij huurt behoudt en de vrouw de percelen die zij huurt. De vrouw wenst echter alle drie de percelen toegewezen te krijgen of handhaving van de huidige situatie waarin zij ook gebruik maakt van een deel van het perceel van de man.
De rechtbank oordeelt dat de huurrechten, hoewel onderdeel van de ontbonden gemeenschap, niet automatisch overdraagbaar zijn zonder instemming van de verhuurder. Omdat de verhuurder niet instemt met contractsovername, blijven de huurrechten bij de contractspartij. De vordering van de man wordt daarom toegewezen en die van de vrouw afgewezen. De kosten worden gecompenseerd en de voorwaardelijke reconventionele vordering van de vrouw wordt ingetrokken.
Uitkomst: De huurrechten worden verdeeld overeenkomstig de contractspartijen zonder contractsovername, waarbij de man het perceel behoudt en de vrouw de twee percelen.