ECLI:NL:RBZUT:2004:AR4700
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Moedermaatschappij aansprakelijk voor schade handelscrediteuren door beëindiging financiering dochtermaatschappij
CED, een dochtermaatschappij van Coutts, verkeerde vanaf 2002 in ernstige financiële problemen met een negatief eigen vermogen. Coutts, via statutair bestuurder [gedaagde, bestuurder 1], financierde CED gedurende circa 18 maanden met omvangrijke leningen, waardoor CED kunstmatig in leven werd gehouden en haar schuldeisers grotendeels konden worden voldaan.
In juni 2003 beëindigde Coutts zonder voorafgaande waarschuwing aan de schuldeisers haar financiering, ondanks dat CED nog niet zelfstandig financieel gezond was en de reorganisatie nog niet volledig was afgerond. Dit leidde tot faillissement van CED en onbetaald blijven van handelscrediteuren.
De curator stelde dat Coutts en [gedaagde, bestuurder 1] onrechtmatig handelden jegens de schuldeisers door de financiering abrupt te stoppen zonder hen te informeren. De rechtbank oordeelde dat Coutts aansprakelijk is voor de schade van de handelscrediteuren, maar dat [gedaagde, bestuurder 1] niet persoonlijk aansprakelijk is wegens gebrek aan ernstig verwijt.
De rechtbank wees de vordering op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW Pro) af jegens [gedaagde, bestuurder 1], maar stelde vast dat Coutts onrechtmatig handelde op grond van artikel 6:162 BW Pro. De schadevergoeding zal nader worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
De proceskosten werden gecompenseerd en de vordering tegen [gedaagde, bestuurder 1] werd afgewezen, terwijl Coutts werd veroordeeld tot vergoeding van de schade van de handelscrediteuren tot de datum van de surséance van betaling.
Uitkomst: Coutts wordt veroordeeld tot schadevergoeding aan de curator voor de handelscrediteuren van CED; bestuurder wordt niet aansprakelijk gehouden.