ECLI:NL:RBZUT:2004:AR3408
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A.M. van der Kallen
- J.C. van der Hooft
- E.J. Davids
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende causaal verband tussen IBR-enting en slijtersproblematiek
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding wegens slijtersproblematiek die hij toeschrijft aan het enten van zijn veestapel met het IBR-vaccin tijdens een ringschurftbesmetting. De rechtbank Zutphen overweegt dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om een causaal verband tussen de enting en de slijtersproblematiek aannemelijk te maken. Ook het bewijsaanbod wordt gepasseerd vanwege onvoldoende onderbouwing.
Eiser stelde dat de dierenarts beroepsfouten heeft gemaakt door te enten tijdens ringschurft, wat volgens hem tot de slijtersproblematiek heeft geleid. De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat klachten kort na de enting ontstonden, geen oorzakelijk verband bewijst. Daarnaast is het niet aannemelijk dat de enting met het vaccin Bayovac heeft plaatsgevonden, aangezien de entbonnen en eerdere stellingen wijzen op Rhinobovin.
Voorts baseert eiser een deel van zijn vordering op het standpunt dat een procedure tegen Hoechst/Bayer kansrijk zou zijn wegens besmet vaccin. De rechtbank stelt dat ook hiervoor onvoldoende feiten zijn gesteld. Diverse rapporten en deskundigenverklaringen bieden geen sluitend bewijs voor het gevorderde causaal verband. Gelet op het tijdsverloop en de beschikbare wetenschappelijke inzichten wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het causaal verband tussen de enting en de slijtersproblematiek.