ECLI:NL:RBZUT:2004:AP6813

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
23 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1374 HOREC
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DHwArt. 4 DHwArt. 27 DHwArt. 28 DHw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning horecabedrijf ondanks bezwaar om paracommerciële activiteiten

Verweerder heeft aan de derde-partij een vergunning verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf in twee lokaliteiten en op twee terrassen bij een kampeerboerderij. Eiser, een omwonende, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege paracommerciële activiteiten die volgens hem in strijd zijn met de bestemming en gebruiksvoorschriften van het perceel.

De rechtbank oordeelt dat geen van de weigeringsgronden uit artikel 27 van Pro de Drank- en Horecawet van toepassing is en dat artikel 4, dat beperkingen kan opleggen ter voorkoming van ongewenste mededinging, niet van toepassing is omdat de vergunning niet is verleend aan een rechtspersoon zoals bedoeld in die bepaling. Hierdoor is er geen grond om beperkingen aan de vergunning te verbinden.

De rechtbank acht het belang van eiser rechtstreeks betrokken, verklaart het bezwaar ontvankelijk maar ongegrond. Het blijft onbesproken of de paracommerciële activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat dit niet relevant is voor de vergunningverlening onder de Drank- en Horecawet. Het beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de horecavergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nr.: 03/1374 HOREC
UITSPRAAK
in het geding tussen:
[eiser], te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde, verweerder,
alsmede de vennootschap onder firma Kampeerboerderij [derde], derde-partij.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 5 september 2003.
2. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2003 heeft verweerder aan de derde-partij, althans aan haar firmanten [derden], een vergunning verleend voor de uitoefening van een horecabedrijf in twee lokaliteiten en op twee terrassen van de door de derde-partij gedreven kampeerboerderij op het perceel […]weg [nr.] te [woonplaats].
Het hiertegen door eiser, die in de nabijheid van de kampeerboerderij woonachtig is, gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit in overeenstemming met het advies van de bezwarencommissie ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 18 mei 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. ten Have. Voor de derde-partij zijn haar firmanten verschenen.
3. Motivering
3.1. De rechtbank stelt voorop dat zij het – impliciet ingenomen – standpunt van partijen kan onderschrijven dat het belang van eiser rechtsreeks bij de bij besluit van 28 maart 2003 verleende vergunning is betrokken. Verweerder heeft eisers daartegen gemaakte bezwaar, nu daarvoor ook overigens geen beletselen bestonden, terecht ontvankelijk geacht.
3.2. De aan de derde-partij verleende vergunning is een vergunning als bedoeld in artikel 3 van Pro de Drank- en Horecawet (DHw).
Ingevolge artikel 28 van Pro de DHw wordt een zodanige vergunning verleend, indien geen van de in artikel 27 geregelde Pro weigeringsgronden aanwezig is.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de DHw verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning, die op grond van artikel 3 voor Pro het horecabedrijf wordt verleend aan een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal?culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard, een of meer voorschriften of beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.
3.3. Eiser heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de derde?partij paracommerciële activiteiten onderneemt, in de vorm van het verzorgen van feesten en partijen voor anderen dan de campinggasten, die bovendien in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming en de daarvoor geldende gebruiksvoorschriften.
3.4. Niet in geschil is, en ook de rechtbank is dat van oordeel, dat zich in het onderhavige geval geen van de in artikel 27 geregelde Pro weigeringsgronden voordoet. Verder is van belang dat de in geding zijnde vergunning niet is verleend aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van Pro de DHw, welke bepaling mitsdien toepassing mist. Er bestond voor verweerder derhalve geen grond om voorschriften of beperkingen ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank aan de vergunning te verbinden. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 24 januari 1991, bij welke wetswijziging het bepaalde bij het huidige artikel 4 in Pro de DHw is ingevoegd (TK 1988-1989, 21 128, nr. 3), naar voren komt dat de reikwijdte van deze bepaling welbewust is beperkt tot – op bedoelde terreinen actief zijnde – instellingen die door een rechtspersoon, niet zijnde een NV of een BV, en derhalve niet door een eenmanszaak of een vennootschap onder firma, worden gedreven. De reden hiervoor is dat juist zulke instellingen, zoals sportverenigingen, dorps-, buurt- en club-huizen, door onder meer een gunstiger fiscaal regime en doordat zij zich niet aan de horeca-cao hoeven te houden, onder ongelijke voorwaarden in concurrentie kunnen treden met reguliere horeca-ondernemingen.
3.5. Nu geen van de weigeringsgronden van artikel 27 aanwezig Pro is en nu artikel 4 van Pro de DHw toepassing mist, heeft verweerder de in geding zijnde vergunning, gelet op artikel 28 van Pro de DHw, terecht gehandhaafd. Daarbij kan in het midden blijven of en, zo ja, in hoeverre bepaalde door de derde-partij uitgevoerde (externe) horeca-activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Aldus gegeven door mr. N.C. van Lookeren Campagne en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op: