ECLI:NL:RBZUT:2002:AF2604

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
18 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
50631 FA RK 02-2174
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijke uitoefening ouderlijk gezag door moeder en stiefvader

De moeder en de stiefvader hebben verzocht om wijziging van het ouderlijk gezag over hun minderjarige zoon, zodat zij gezamenlijk het gezag zouden uitoefenen. De minderjarige woont bij de moeder en stiefvader, die sinds 19 oktober 2000 gehuwd zijn en gezamenlijk zorg dragen voor het kind. De vader, die het gezag formeel alleen met de moeder deelde, verzet zich tegen dit verzoek uit vrees voor verlies van contact met zijn zoon.

De rechtbank stelt vast dat de verstandhouding tussen de ouders slecht is en dat het kind daardoor klem kan komen te zitten. Hoewel het kind geen bezwaar maakte tegen het verzoek, is onvoldoende aangetoond dat het belang van het kind gediend is met versterking van de positie van de stiefvader ten opzichte van de vader.

Gezien de voortdurende spanningen en het risico op een loyaliteitsconflict, besluit de rechtbank het verzoek af te wijzen, mede met het oog op het belang van de vader en het voorkomen van verwaarlozing van de belangen van het kind.

Uitkomst: Het verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag toe te kennen aan moeder en stiefvader wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Zesde enkelvoudige kamer
Beschikking : 18 december 2002
Zaaknummer : 50631 FA RK 02-2174
Beschikking in de zaak van:
[verzoekers],
echtgenoten,
respectievelijk verder te noemen:
de moeder en de stiefvader,
beiden wonende te [plaats],
procureur: mr. M.H. Hogeman,
en
[verweerder]
wonende te [plaats],
verder te noemen: de vader,
advocaat : mr. W.J.C. Schalken.
Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 31 oktober 2002;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 4 december 2002.
De vaststaande feiten
Uit het huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] te [plaats], gemeente [plaats], geboren: [zoon].
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 1991 is tussen de moeder en de vader de echtscheiding uitgesproken. Krachtens beschikking van deze rechtbank van 8 april 1992 is de moeder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon] voornoemd.
De minderjarige [zoon] voornoemd heeft zijn gewone verblijfplaats bij de moeder en de stiefvader.
Het verzoek
De moeder en de stiefvader verzoeken dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 8 april 1992 voor wat betreft het gezag over de minderjarige [zoon] voornoemd zal wijzigen en zal bepalen dat de moeder voortaan gezamenlijk met de stiefvader met het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon] belast zal zijn.
De moeder en de stiefvader stellen dat de gevraagde gezagsvoorziening in het belang van de minderjarige is. Verzoekers voeren aan dat zij op 19 oktober 2000 met elkaar zijn gehuwd en dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige. De moeder en de stiefvader vormen samen met [zoon] een gezin.
Daarnaast stellen verzoekers dat zij gedurende meer dan één jaar gezamen-lijk de zorg voor de minderjarige hebben gehad en de moeder is al minimaal drie jaar alleen met het gezag over [zoon] belast.
Het verweer
De man verzoekt dat de rechtbank het verzoek zal afwijzen. Hij betwist dat het verzoek in het belang van de minderjarige [zoon] is. Ingeval van inwilliging van het verzoek vreest de vader dat het contact tussen hem en de minderjarige [zoon] verloren zal gaan. De vader stelt dat hij medeverantwoordelijk is voor de opvoeding van de minderjarige voornoemd en hij wenst aan die medeverantwoordelijkheid zowel in feitelijke zin als in formele zin inhoud te geven
Het advies
De vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming adviseert het onderhavige verzoek af te wijzen.
De beoordeling
De moeder en de stiefvader zijn ontvankelijk in hun verzoek nu is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:253t leden 1 en 2 Burgerlijk Wetboek.
De minderjarige [zoon] voornoemd is in de gelegenheid gesteld zijn mening omtrent het verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken. Hij verzet zich er niet tegen dat de moeder en de stiefvader gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem zullen uitoefenen.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verstandhouding tussen verzoekers en de vader veel te wensen over laat. In het verleden zijn de spanningen tussen hen zodanig opgelopen dat de minderjarige [zoon] klem dreigde te raken tussen zijn ouders. Voorts staat vast dat in de hiervoor beschreven situatie in de loop der tijd nauwelijks verbetering is opgetreden en dat [zoon] onverminderd bloot staat aan risico's tengevolge van de slechte verstandhouding tussen zijn vader en moeder. De rechtbank sluit niet uit dat het verzoek tegen de achtergrond van deze voortdurende strijd wordt gedaan.
Op geen enkele wijze is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het in het belang van de minderjarige zou zijn dat de positie van de partner van zijn moeder versterkt zou moeten worden ten opzichte van de positie die zijn vader nu inneemt.
Nu bij inwilliging van het verzoek de mogelijkheid bestaat dat het kind in een verdergaand loyaliteitsconflict komt, is er gegronde vrees dat de belangen van de minderjarige [zoon] in die zin zullen worden verwaarloosd. De rechtbank zal, mede in het licht van de belangen van de vader, het verzoek daarom afwijzen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Krijger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2002, in tegenwoordig-heid van G.J. van Keulen, griffier.