ECLI:NL:RBZUT:2001:AB2088

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
7 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35251/HAZA 00-1011
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:127 BWArt. 6:130 BWArt. 6:136 BWArt. 6:233 BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering bank op debiteur na faillissement met betwisting verrekening algemene voorwaarden

De bank en Groninger Vleeshandel B.V. (GVH) sloten in 1997 een overeenkomst tot verpanding van vorderingen op handelsdebiteuren als zekerheid voor een kredietfaciliteit. GVH werd in juni 1999 failliet verklaard. De bank vordert betaling van een bedrag van ruim ¤321.000 van de debiteur, die zich verweert met een beroep op verrekening van een tegenvordering.

De debiteur stelt dat de algemene voorwaarden met het verrekeningsbeding niet aan haar zijn verstrekt en dat dit beding daarom vernietigbaar is. De rechtbank oordeelt dat de bank onvoldoende heeft aangetoond dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld, waardoor het verrekeningsbeding niet kan worden ingeroepen.

Daarnaast bespreekt de rechtbank de positie van de bank als stil pandhouder en het toepasselijke faillissementsrecht. De curator betwist de tegenvordering van de debiteur, waardoor verrekening niet eenvoudig kan worden vastgesteld. De rechtbank wijst de zaak aan voor nadere stukken over de stand van het faillissement en de betwisting van de tegenvordering.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere stukken over de betwisting van de tegenvordering en de faillissementsafwikkeling.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Rolnummer: 35251/HAZA 00-1011
Uitspraak: 7 juni 2001
Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:
[EISERES] ,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
procureur: mr. C.B. Gaaf,
advocaat: mr. H.W. Vogels te Amsterdam,
en
[GEDAAGDE],
gevestigd te Vaassen (gemeente Epe),
gedaagde partij,
procureur: mr. A.H.J. Ozinga,
advocaat: voorheen mr. H.C.M. van Haastert, thans mr. C.M.H. Kloppers.
Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als de Bank en [gedaagde].
1. Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
de dagvaarding d.d. 25 september 2000;
de conclusie van eis;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek, tevens akte houdende vermindering van eis;
de conclusie van dupliek.
2. De vaststaande feiten
2.1 Tussen de Bank en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groninger Vleeshandel B.V. (hierna: GVH) is tot zekerheid van de door de Bank aan GVH verstrekte kredietfaciliteit in december 1997 een overeenkomst tot verpanding van de huidige en toekomstige vorderingen op de handelsdebiteuren van GVH gesloten.
2.2 Op 1 juni 1999 is GVH in staat van faillissement verklaard.
2.3 GVH heeft een vordering ten belope van ¦ 319.017,49 op [gedaagde], welke vordering aan de Bank is verpand. Bij brief van 7 juni 1999 heeft de Bank haar pandrecht openbaar gemaakt aan [gedaagde].
2.4 Bij brief van 15 juli 1999 heeft [gedaagde] een vordering op GVH ten belope van ¦ 341.787,29 bij de curator ingediend. Op 8 september 1999 heeft [gedaagde] de vordering op verzoek van de curator nader onderbouwd. Daarop heeft de curator gereageerd bij brieven van 9 en 22 december 1999.
3. De vordering
3.1 De Bank vordert, na vermindering van eis, dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen tot betaling aan de Bank van een bedrag van ¦ 321.317,49, althans de tegenwaarde daarvan in de Euro-munteenheid, te vermeerderen met de wettelijke rente over ¦ 319.017,49 sedert 7 juni 1999 en met de wettelijke rente over ¦ 2.300,00 sedert de dag der dagvaarding, in beide gevallen tot de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2 De Bank legt aan haar vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.
De Bank heeft het pandrecht op de vordering ten belope van ¦ 319.017,49 van GVH op [gedaagde] openbaar gemaakt en [gedaagde] gesommeerd het bedrag te betalen. [gedaagde] weigert te betalen met een beroep op verrekening. Dit beroep kan niet slagen omdat tussen GVH en [gedaagde] algemene voorwaarden van toepassing zijn. Artikel 4.5 van de algemene voorwaarden luidt:
Afnemer mag tegenvorderingen die hij op leverancier heeft niet verrekenen met hetgeen aan leverancier verschuldigd is, behoudens voorzover die tegenvorderingen door leverancier schriftelijk en uitdrukkelijk zijn erkend of in rechte onherroepelijk zijn vastgesteld.
De tegenvordering van [gedaagde] wordt door de curator en de Bank betwist en is niet in rechte vastgesteld, zodat aan [gedaagde] geen beroep op verrekening toekomt.
Voorts maakt de Bank met een beroep op artikel 6:96 sub c BW Pro aanspraak op incassokosten tot een bedrag van ¦ 2.300,00.
4. Het verweer
4.1 [gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Bank niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.
4.2 [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.
Het beroep van de Bank op artikel 4.5 van de algemene voorwaarden komt haar niet toe en wel om de volgende redenen:
primair: [gedaagde] heeft de algemene voorwaarden nimmer aanvaard. De algemene voorwaarden zijn niet aan de orde gesteld en [gedaagde] hoefde er niet op bedacht te zijn dat na het sluiten van de overeenkomst nog algemene voorwaarden aan haar zouden worden opgelegd. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat partijen de bedoeling hadden het litigieuze verrekenbeding overeen te komen, nu partijen uitdrukkelijk verrekening zijn overeengekomen, getuige onder meer het overgelegde faxbericht van 12 januari 1999;
subsidiair: de algemene voorwaarden zijn vernietigbaar op de grond dat [gedaagde] door GVH geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de inhoud kennis te nemen. De verwijzing naar de plaats waar de algemene voorwaarden zijn gedeponeerd is daartoe onvoldoende. De algemene voorwaarden zijn niet ter hand gesteld terwijl toezending mogelijk was;
meer subsidiair: de algemene voorwaarden zijn onredelijk bezwarend jegens [gedaagde] en dus vernietigbaar omdat het onredelijk bezwarend is dat [gedaagde] niet mag verrekenen, totdat haar vordering in rechte onherroepelijk is vastgesteld, terwijl die vaststelling niet mogelijk is als gevolg van het faillissement van GVH waardoor [gedaagde] op dit moment een vaststelling niet kan afdwingen. Voorts wijst [gedaagde] op de reflexwerking van artikel 6:237 sub g BW Pro en het arrest van 3 december 1996 (NJ 1998, 615), gewezen door gerechtshof Arnhem.
Voor het geval de rechtbank mocht beslissen dat de Bank op grond van de algemene voorwaarden het beroep op verrekening van [gedaagde] niet tegen zich hoeft te laten gelden, stelt [gedaagde] uiterst subsidiair dat [gedaagde] het recht op verrekening ontleent aan het bepaalde in artikel 6:136 BW Pro jo. artikel 53 lid 3 Faillissementswet Pro, waardoor de curator een beroep op verrekening niet kan afweren met een beroep op de omstandigheid dat de tegenvordering niet eenvoudig vastgesteld kan worden. Omdat [gedaagde] aldus een beroep op verrekening tegen de curator kan laten gelden, kan zij dit evenzeer tegen de Bank op grond van artikel 6:130 lid 2 BW Pro.
5. De beoordeling van het geschil
5.1 Ter bescherming van de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden bepaalt artikel 6:233 sub b jo Pro. 234 lid 1 BW dat de gebruiker de wederpartij de mogelijkheid moet bieden om van die algemene voorwaarden kennis te nemen door deze hetzij voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand te stellen hetzij, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming van de overeenkomst bekend te maken dat deze bij hem ter inzage liggen of waar deze zijn gedeponeerd en dat deze op verzoek zullen worden toegezonden.
5.2 Vaststaat dat de algemene voorwaarden een geringe omvang hebben en dat partijen meerdere overeenkomsten met elkaar hebben gesloten. Niet valt dan ook in te zien waarom de algemene voorwaarden, indien deze al deel uitmaken van de tussen partijen gesloten overeenkomst, niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde] ter hand konden worden gesteld. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomsten bekend was met het verrekenbeding. Nu gesteld is dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en de Bank dit niet heeft weersproken, dient het beroep op vernietiging van het verrekenbeding in de algemene voorwaarden te worden aanvaard.
5.3 Dat [gedaagde] zich jegens GVH en haarzelf als pandhoudster op grond van artikel 6:127 juncto Pro 6:130 BW in beginsel op verrekening kan beroepen wordt door de Bank niet tegengesproken. Zij voert slechts aan dat de vordering ondeugdelijk is, waarmee zij kennelijk doelt op het bepaalde in artikel 6:136 BW Pro. Vaststaat dat de curator in het faillissement van GVH de vordering van [gedaagde] gemotiveerd betwist. De gegrondheid van het verrekeningsverweer van [gedaagde] kan dan ook niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. De vordering, die de Bank als pandhoudster wenst te innen, is voor toewijzing vatbaar.
[gedaagde] beroept zich in dit verband op artikel 53 lid 3 van Pro de Faillissementswet en betoogt dat het daar bepaalde ook van toepassing is op de Bank als pandhoudster.
5.4 Bij gebreke van een expliciete wettelijke regeling, dient voor de positie van de Bank als stil pandhoudster op een vordering op naam op grond van de wetsgeschiedenis rond de invoering van het stil pandrecht zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de vóór 1992 gehanteerde constructie van de cessie tot zekerheid. Ondanks de wetstechnische andere opzet van de nieuwe regeling van het stil pandrecht dienden de bestaande financieringspatronen zonder moeite te kunnen worden gecontinueerd, zo is bij de behandeling van de wetsvoorstellen een en andermaal uitdrukkelijk benadrukt. Dit uitgangspunt moet evenwel uitzondering lijden, indien de wet of het wettelijk systeem in de weg staat aan bepaalde juridische effecten, die specifiek aan de zekerheidseigendom waren verbonden, en zij, gezien de andere geaardheid van het pandrecht, in zoverre tot een andere oplossing dwingt. Met name zal dat hebben te gelden ten aanzien van wetsbepalingen, die naar aanleiding van de invoering van het nieuwe burgerlijke recht op 1 januari 1992 zijn vastgesteld.
Dit laatste doet zich hier voor. Onder het oude recht werd de cessionaris rechthebbende op de vordering, hetgeen met zich bracht dat, in geval van een faillissement van de cedent, de debitor cessus geen beroep toekwam op artikel 53 Fw Pro, omdat aan het vereiste dat de debiteur van de gecedeerde vordering tevens crediteur was van de gefailleerde niet (meer) werd voldaan. In het nieuwe recht blijft de pandgever evenwel de schuldeiser van de debiteur. Daaraan doet de inningsbevoegdheid van de Bank op grond van haar pandrecht niet af. Daarmee profiteert de debiteur evenwel van het op 1 januari 1992 ingevoerde lid 3 van artikel 53 Fw Pro, op grond waarvan een beroep door de curator op artikel 6:136 BW Pro is uitgesloten. Het ten gunste van de Bank als pandhoudster terzijde stellen van dit derde lid zou op gespannen voet staan met de eis van de rechtszekerheid, nu enerzijds de wettekst zelf voor die keuze geen grond biedt en anderzijds blijkens de wetsgeschiedenis de wetgever onder verwijzing naar artikel 6:130 BW Pro in geval van faillissement nu juist beoogde minder zware eisen voor verrekening te stellen.
5.5 Het verweer van de Bank, dat een beroep op artikel 53 Fw Pro in casu in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, dient, als onvoldoende gemotiveerd, te worden verworpen.
5.6 [gedaagde] dient zich bij akte uit te laten over de vraag of de curator zijn aanvankelijke betwisting van haar tegenvordering heeft gehandhaafd en, zo ja, in welke stand de afwikkeling van het faillissement van GVH zich thans bevindt.
De beslissing
De rechtbank, rechtdoende,
verwijst de zaak naar de rol van 21 juni 2001 tot het nemen van akte als vermeld onder 5.6;
verstaat dat de Bank bij antwoordakte zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2001.
DW/VG