ECLI:NL:RBZUT:1998:AA3567
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening
- K. van Duyvendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opschorting bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Verzoekster heeft tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem, waarbij haar bijstandsuitkering met ingang van 1 november 1998 werd opgeschort wegens een vermeende gezamenlijke huishouding met de heer X, een voorlopige voorziening gevraagd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het onderzoek van de sociale recherche weliswaar wijst op het feit dat X zijn hoofdverblijf had in de woning van verzoekster, maar dat er onvoldoende objectieve feiten zijn die aantonen dat sprake is van een wederzijdse zorgrelatie die een gezamenlijke huishouding zou bevestigen. Tevens is gebleken dat verweerder ten onrechte artikel 69 Abw Pro heeft toegepast zonder verzoekster de mogelijkheid te bieden het verzuim te herstellen.
Hoewel het vermoeden van een gezamenlijke huishouding en daarmee het vervallen van het recht op bijstand niet uitgesloten is, is er geen sprake van een financiële noodsituatie die een spoedeisende voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarom heeft de rechtbank het verzoek afgewezen en is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de opschorting van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.