ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3720
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vervroegde opeising lening niet toegestaan tijdens opschorting betalingen wegens faillissement DSB Bank
Op 1 februari 2000 sloten [gedaagde] en zijn toenmalige partner een leningsovereenkomst met een rechtsvoorganger van DSB Bank. Na het faillissement van DSB op 19 oktober 2009 ontstond onduidelijkheid over aan wie de betalingen bevrijdend voldaan konden worden. [gedaagde] schortte daarom zijn betalingen op.
De curatoren van DSB Bank vorderden betaling van de volledige leningbedragen en rente, stellende dat sprake was van een betalingsachterstand van meer dan twee maanden, waardoor vervroegde opeising mogelijk was. [gedaagde] betwistte dit en stelde dat hij gerechtigd was tot opschorting zolang onduidelijkheid bestond.
De rechtbank stelde vast dat de correspondentie van DSB Bank na het faillissement onvoldoende duidelijkheid bood over de juiste betalingsontvanger. Alleen de brief van de curatoren van 2 februari 2010 maakte dit duidelijk, waarna opschorting niet langer gerechtvaardigd was. De rechtbank oordeelde dat de curatoren niet konden overgaan tot vervroegde opeising zolang de opschorting gerechtvaardigd was en dat de curatoren niet hadden aangetoond dat zij bevoegd waren tot vervroegde opeising op 2 februari 2010.
De rechtbank gaf partijen gelegenheid om nadere stukken te overleggen en stelde verdere beslissing aan. Het vonnis werd gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek op 8 februari 2012.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vervroegde opeising af zolang de schuldenaar gerechtigd was betalingen op te schorten vanwege onduidelijkheid over de betalingsontvanger na het faillissement.