ECLI:NL:RBZLY:2012:BW1512

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
96-292708-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaarschrift tegen strafrechtelijke invordering rijbewijs na alcoholgebruik

Klaagster wordt verdacht van rijden onder invloed van alcohol op 18 december 2012 met een ademalcoholgehalte van 645 microgram per liter uitgeademde lucht en vertoonde daarbij verkeersgevaarlijk rijgedrag. Haar rijbewijs werd door de politie ingevorderd en door het openbaar ministerie ingehouden.

Het bezwaarschrift tegen deze strafrechtelijke invordering is behandeld in de raadkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad op 22 februari 2012, waarbij klaagster en de officier van justitie zijn gehoord. De officier van justitie concludeerde tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.

De rechtbank oordeelt dat de invordering terecht was, maar wijst erop dat het rijbewijs inmiddels ongeldig is verklaard door het CBR in het kader van de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure, waarbij klaagster moet deelnemen aan het alcoholslotprogramma (ASP). Dit programma beperkt het recidivegevaar aanzienlijk.

De rechtbank stelt dat de strafrechtelijke invordering naast de bestuursrechtelijke maatregel geen toegevoegde waarde meer heeft en niet bedoeld is als een voorschot op de straf. Gezien het beperkte recidivegevaar weegt het belang van klaagster zwaarder dan het belang bij het langer ingevorderd houden van het rijbewijs. Daarom wordt het bezwaarschrift gegrond verklaard en wordt teruggave van het rijbewijs aanbevolen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en het rijbewijs wordt teruggegeven aan klaagster.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Strafraadkamer
Parketnummer : 96/292708-11
Rekestnummer : 12/152
Uitspraakdatum : 27 februari 2012
Beschikking op het klaagschrift ingevolge artikel 164, lid 8, van de Wegenverkeerswet 1994 ter griffie ingekomen op 31 januari 2012, van:
(naam klaagster),
geboren op (geboortejaar),
wonende te (adres),
strekkende tot teruggave van haar door de Regiopolitie IJsselland, Team Zwolle-Centrum/ Zuid, ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 22 februari 2012, waar klaagster en de officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, zijn gehoord.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.
MOTIVERING
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op de onderhavige zaak betrekking hebbende strafdossier met opgemeld parketnummer.
Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt dat
klaagster ervan wordt verdacht op 18 december 2012 als bestuurster van een motorrijtuig te hebben gereden, terwijl zij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank (uitslag van onderzoek met ademanalyseapparaat 645 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht),
waarbij zij verkeersgevaarlijk rijgedrag heeft vertoond.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de invordering van het rijbewijs terecht is geschied.
Het rijbewijs van klaagster is inmiddels door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) ongeldig verklaard in het kader van de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure. In dat kader zal klaagster moeten meedoen aan het alcoholslotprogramma (ASP). Dit betekent dat klaagster voorlopig niet, of slechts in een auto met alcoholslot zal mogen rijden. Met deze nieuwe vorderingsprocedure met ASP wordt het recidivegevaar aanzienlijk beperkt.
De vraag is of náást de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure met ASP, de stafrechtelijke invorderingprocedure nog een toegevoegde waarde heeft.
Ook met de strafrechtelijke invorderingsprocedure is beoogd om het recidivegevaar op de korte termijn tegen te gaan. Daarbij wordt er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de hoogte van het geconstateerde ademalcoholgehalte indicatief is voor het recidivegevaar.
Echter, nu ten aanzien van klaagster de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure is ingezet, is daarmee het recidivegevaar op de korte termijn aanzienlijk beperkt. Het belang van de strafrechtelijke invorderingsprocedure is daarmee komen te vervallen.
Daarbij overweegt de rechtbank voorts nog, dat de strafrechtelijke invordering van het rijbewijs niet bedoeld kan zijn als een lik-op-stuk-beleid waarbij alvast een voorschot op de te verwachten straf wordt opgelegd. Dat de termijn van de invordering van het rijbewijs later wordt afgetrokken van de periode van de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegd¬heid, maakt dat dit in de praktijk veelal wel als een voorschot op de straf wordt gezien en gevoeld. Maar het is nadrukkelijk niet de bedoeling van de regeling. Het zou indruisen tegen één van de belang¬rijkste beginselen in het strafrechtelijk systeem, dat een straf eerst wordt tenuitvoergelegd nadat iemand onherroepelijk is veroordeeld.
Op grond van het voorgaande overweegt dat de rechtbank dat, gegeven het feit dat de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure met ASP is ingezet, het recidivegevaar zodanig is geweken, dat op dit moment het belang van klaagster zwaarder dient te wegen dan het belang bij het langer ingevorderd houden van het rijbewijs. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom gegrond verklaren.
BESLISSING
Het beklag is gegrond.
De rechtbank beveelt de teruggave van haar rijbewijs aan (klaagster) voornoemd.
Aldus gedaan door mr. F. Koster, rechter, in tegenwoordigheid van P.A. Feenstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2012.