ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2225

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
6 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/400170-09
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek poging doodslag wegens onvolledig sporenonderzoek

In deze strafzaak tegen verdachte wegens poging tot doodslag heeft de rechtbank vastgesteld dat het sporenonderzoek naar de op de flessenhals aangetroffen handpalmafdrukken niet volledig was. Tijdens de terechtzittingen op 17 december 2009 en 23 maart 2010 werd duidelijk dat niet alle sporen waren onderzocht en dat de verklaring van een getuige inconsistenties bevatte.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden met een proeftijd van 2 jaar, terwijl de raadsman van verdachte vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en terstond te schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader sporenonderzoek te verrichten.

Specifiek werd gevraagd waarom het dactyloscopisch onderzoek zich alleen op verdachte richtte en waarom sommige sporen buiten beschouwing waren gelaten. De rechtbank verzocht om aanvullende beantwoording over de mogelijkheid tot verder onderzoek van de sporen en de betekenis van de handpalmafdrukken ten opzichte van het gebruik van de flessenhals.

De rechtbank wees tevens het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis af en stelde dat de zaak pas kan worden voortgezet na ontvangst van het aanvullende onderzoeksrapport.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst voor nader sporenonderzoek; voorlopige hechtenis blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnummer: 400170-09
Uitspraak: 06 april 2010
VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:
het openbaar ministerie
tegen
(verdachte)
(geboorteplaats)
(adres)
ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2009 en 23 maart 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.
De officier van justitie, mr G. Edelenbosch heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij) verzoekt de officier van justitie de rechtbank de vordering toe te wijzen nu de vordering voldoende is onderbouwd en redelijk is.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan zijn cliënt onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde nu volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor handen is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de verklaring van getuige (getuige) niet de conclusie kan worden getrokken dat zijn cliënt degene moet zijn geweest die het slachtoffer met de flessenhals heeft gestoken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de belastende verklaring van getuige (getuige) inconsistenties bevat voor wat betreft de aanwijzing van zijn cliënt als verdachte. Onder andere de beschrijving door die getuige van de kleding die cliënt die avond zou hebben gedragen alsmede de situering van de bloedvlekken op het T-shirt komen niet overeen met de daadwerkelijk gedragen kleding en de gevonden bloedvlekken. Voorts heeft de getuige volgens de raadsman niet feitelijk waargenomen dat zijn cliënt het slachtoffer heeft gestoken met de flessenhals.
Tenslotte heeft de raadsman aangegeven dat niet alle aangetroffen dactyloscopische sporen van de flessenhals zijn onderzocht waardoor onduidelijkheid bestaat van wie die sporen afkomstig zijn.
Met betrekking tot de op te leggen straf ziet de raadsman van verdachte geen reden tot een voorwaardelijke straf nu zijn cliënt niet eerder bij dergelijk incidenten betrokken is geweest.
Nu de raadsman vrijspraak heeft verzocht komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij. Tot slot verzoekt de raadsman de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(Volgt tenlastelegging)
HERVATTING VAN HET ONDERZOEK
De rechtbank kan in deze zaak thans nog niet tot een einduitspraak komen. Tijdens de beraadslaging is namelijk gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het moet worden heropend.
De rechtbank is gebleken dat het sporenonderzoek zoals dit is verricht naar de op de flessenhals aangetroffen en veiliggestelde sporen thans nog vragen oproept. Naar het oordeel van de rechtbank is nadere informatie wenselijk om tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen.
De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht de navolgende vragen te (doen) beantwoorden:
1.
In de aanvraag dactyloscopisch onderzoek van de Regiopolitie IJsselland Forensische Opsporing d.d. 1 juli 2009 wordt door de officier van justitie verzocht een dactyloscopisch onderzoek in te stellen naar 1 cd met 5 foto’s van handpalmafdrukken. Deze handpalmafdrukken zijn aangetroffen op de flessenhals. De sporen van deze handpalmafdrukken zijn als volgt omschreven: spoor 1359 met referentie AABM5441NL; spoor 1361 met referentie AABM5443NL; spoor 1356 met referentie AABM5439NL; spoor 1358 met referentie: AABM5440NL en spoor 1360 met referentie AABM5442NL.
In de aanvraag verzoekt de officier van justitie de sporen te vergelijken met het afdrukkenblad van verdachte (verdachte).
- De rechtbank verzoekt antwoord te geven op de vraag waarom de onderzoeksopdracht concreet is toegespitst op verdachte (verdachte) en waarom de opdracht niet (tevens) ruimer is geformuleerd, gegeven het feit dat op de flessenhals meerdere sporen zijn aangetroffen.
2.
Uit het verslag van het dactyloscopisch onderzoek van de Dienst IPOL d.d. 9 juli 2009 blijkt dat het spoor met referentie SIN AABM5433NL is geïdentificeerd als zijnde een afdruk van de rechterhandpalm van verdachte (verdachte). Voorts blijkt uit het verslag dat de sporen
SIN AABM5439NL en SIN AABM5442NL na oriënterend onderzoek buiten beschouwing zijn gelaten.
De rechtbank verzoekt:
- a. antwoord te geven op de vraag waarom de twee laatst genoemde sporen buiten beschouwing zijn gelaten en
- b. aan te geven of de mogelijkheid aanwezig is de sporen alsnog te doen onderzoeken.
3.
Indien het antwoord op die laatste vraag (2b) bevestigend is verzoekt de rechtbank de officier van justitie beide sporen alsnog te doen onderzoeken en aan te (doen) geven
- a. of aan de hand van die uitkomsten valt uit te sluiten dat die sporen (handpalmafdrukken) afkomstig zijn van een andere persoon dan verdachte en
- b. of aan de hand van voornoemde onderzoeksresultaten een stand van de betreffende handpalm ten opzichte van de flessenhals is op te maken en
- c. of uit de aangetroffen stand van de betreffende handpalm een conclusie is te trekken over het gebruik dat (mogelijk) van de fles(senhals) is gemaakt.
Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank het onderzoek heropenen en terstond schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze vragen te (doen) beantwoorden en om het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting voort te zetten.
BESLISSING
De rechtbank heropent het onderzoek ter terechtzitting en schorst dit terstond voor onbepaalde tijd.
De rechtbank stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde nader onderzoek te doen verrichten en rapport te doen opmaken naar aanleiding van de vragen zoals hiervoor omschreven.
De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
De rechtbank beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat.
Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 06 april 2010.