ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ0421

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
22 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07.607016-09
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14d SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor niet bewezen verklaarde feiten en werkstraf voor mishandeling en belediging ambtenaar

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft op 22 juni 2009 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling van zijn echtgenoot en het beledigen van een ambtenaar door spugen. De rechtbank achtte niet bewezen hetgeen meer of anders was ten laste gelegd en sprak verdachte daarvan vrij.

De bewezenverklaring betrof mishandeling op 10 januari 2009 in Swifterbant, waarbij verdachte zijn echtgenoot in het gezicht en de rug sloeg en aan de haren trok, waardoor letsel en pijn ontstonden. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op dezelfde dag in Lelystad een ambtenaar beledigde door in diens richting te spugen terwijl hij zich op korte afstand bevond.

De rechtbank oordeelde dat verdachte strafbaar was voor deze feiten en legde een werkstraf van 80 uur op, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke straf wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij verdachte zich schuldig maakt aan een strafbaar feit of de bijzondere voorwaarden niet naleeft. Als bijzondere voorwaarde geldt dat verdachte zich moet houden aan de voorschriften van Tactus verslavingszorg te Flevoland.

De rechtbank vond een voorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de werkstraf. De reclasseringsinstelling is opgedragen verdachte te begeleiden bij de naleving van de voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, voor mishandeling en belediging van een ambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector strafrecht
parketnummer: 07.607016-09
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2009
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende [woonplaats].
Raadsman mr. T.A.M. Drubbel advocaat te Almere.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2009 waarbij de officier van justitie, mr. S.J. Buis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 januari 2009 in de gemeente Swifterbant, gemeente Dronten, opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen, althans éénmaal,
- tegen het lichaam heeft geduwd en/of
- in het gezicht en/of de rug, althans tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of
- aan de haren heeft getrokken,
waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
2.
hij op of omstreeks 10 januari 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk beledigend (een) ambtenaar, te weten [agent] (agent, Basiseenheid Dronten), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in de richting van het been, althans het lichaam van die [agent] heeft gespuugd, terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand bevond van voornoemde [agent];
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.
4.2 De bewijsoverwegingen
T.a.v. feit 2.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van belediging, aangezien het (voorwaardelijke) opzet op het beledigende karakter van de handeling (te weten het spugen) ontbreekt. Verdachte heeft naar de grond gespuugd. Dat de agent meent dat het naar hem is gericht doet daaraan niets af.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Door verbalisant [agent] is verdachte gewaarschuwd dat hij niet moest spugen. Aangezien verdachte daarop nogmaals spuugde en dit keer in de richting van verbalisant, maakt dat er tenminste sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij het spugen. In de gegeven situatie moest verdachte begrijpen dat het in het in de richting spugen van de verbalisant, gelet op de plaats waar en de wijze waarop dat plaatsvond, slechts als belediging kon worden opgevat, zodat zijn opzet ook op die belediging was gericht.
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
4.3 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.
op 10 januari 2009 in Swifterbant, gemeente Dronten, opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, [slachtoffer],
- in het gezicht en de rug heeft geslagen en
- aan de haren heeft getrokken,
waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
2.
op 10 januari 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [agent] (agent, Basiseenheid Dronten), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in de richting van het been van die [agent] heeft gespuugd, terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand bevond van voornoemde [agent].
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1:
Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. feit 2:
Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, strafbaar gesteld bij de artikelen 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7 De strafoplegging
7.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar, met als bijzondere voor¬waarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen door of namens Tactus verslavingszorg te Flevoland.
7.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke straf en een werkstraf redelijk zijn. De verdediging heeft de rechtbank gevraagd rekening te houden met het feit dat verdachte in ploegendiensten werkt en dat het essentieel is dat verdachte zijn baan behoudt.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.
Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor de bewezenverklaarde strafbare feiten een werkstraf een passende sanctie is. De rechtbank zal daarvan een deel voorwaardelijk opleggen teneinde de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en een verplichte begeleiding door Tactus mogelijk te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen werkstraf hoger dient te zijn dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien zij, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, een voorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk acht.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 januari 2009;
- een de verdachte betreffend Vroeghulp interventierapport d.d. 13 januari 2009 uitgebracht door P.M. Visser, reclasseringswerker namens Tactus verslavingsreclassering te Flevoland;
- een de verdachte betreffend Voorlichtingsrapport d.d. 25 maart 2009 uitgebracht door P.M. Visser, reclasseringswerker namens Tactus verslavingsreclassering te Flevoland.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- een werkstraf van 80 (tachtig) uren, subsidiair 40 (veertig) dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet of niet naar behoren heeft nageleefd;
- stelt als bijzondere voorwaarde:
dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Tactus verslavingszorg te Flevoland;
- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mr. M.C.P. de Ridder en mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juni 2009.