ECLI:NL:RBZLY:2008:BH5717

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
11 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
135878 / HA ZA 07-1087
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 1 Verdrag betreffende de Burgerlijke RechtsvorderingArt. 224 lid 2 sub a Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling proceskosten wegens toepasselijkheid internationaal verdrag

In deze civiele procedure vorderden AFD, ALC en DITG dat LIA, een Oekraïense vennootschap, zekerheid zou stellen voor de proceskosten door middel van een bankgarantie van ten minste EUR 17.000. LIA verweerde zich met een beroep op artikel 17 lid 1 van Pro het Verdrag betreffende de Burgerlijke Rechtsvordering, dat zekerheidstelling verbiedt voor onderdanen van verdragsluitende staten die in een andere verdragsstaat zijn gedomicilieerd.

De rechtbank stelde vast dat Oekraïne partij is bij het Verdrag en dat LIA als in Oekraïne gevestigde vennootschap onderdaan is in de zin van het Verdrag. Op grond van artikel 224 lid 2 sub a Rv Pro, dat uitzonderingen op de zekerheidstelling regelt, en het genoemde artikel 17 lid 1 van Pro het Verdrag, oordeelde de rechtbank dat LIA niet gehouden is zekerheid te stellen.

De vordering tot zekerheidstelling werd daarom afgewezen. Daarnaast werden AFD, ALC en DITG veroordeeld in de proceskosten van het incident, elk tot een bedrag van EUR 384. De zaak werd geschorst en op 28 juli 2008 opnieuw op de rol gezet voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten door LIA werd afgewezen wegens toepassing van artikel 17 lid 1 van het Verdrag betreffende de Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer:
135877 / HA ZA 07-1086, 135878 / HA ZA 07-1087, 135896 / HA ZA 07-1089
Vonnis in incident van 11 juni 2008
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LIMITED LIABILITY COMPANY PRODUCTION AND COMMERCIAL FIRM “LIA” LTD,
handelend onder de naam LIA,
gevestigd en kantoorhoudende te Lugansk (Oekraïne),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AFD ADMINISTRATIEVE EN FACILITAIRE DIENSTVERLENING B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADVILOGING LOGISTIC CONSULTANTS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DUTCH INTERNATIONAL TRADING GROUP B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
procureur mr. E. Nijdam.
Partijen zullen hierna LIA, AFD, ALC en DITG worden genoemd.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het incidentele vonnis tot voeging der zaken van 23 januari 2008
- de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor betaling van de
proceskosten ex artikel 224 Rv Pro
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. AFD, ALC en DITG vorderen dat de rechtbank bepaalt dat LIA zekerheid stelt voor de proceskosten door middel van een bankgarantie voor een bedrag van ten minste EUR 17.000, met veroordeling van LIA in de kosten van het incident.
2.2. LIA heeft ten verwere tegen de vordering aangevoerd dat zij op grond van artikel 17, lid 1 van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, 40) (hierna: het Verdrag) niet gehouden is om zekerheid te stellen. Nederland is partij bij dit Verdrag en Oekraïne is eveneens aan dit Verdrag gebonden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3. Tussen partijen staat vast dat de rechtspersoon LIA in de Oekraïne domicilie heeft en derhalve – verdragsautonoom uitgelegd – heeft te gelden als onderdaan in de zin van het Verdrag.
Artikel 17, lid 1 van het Verdrag luidt in vertaling:
“Geen zekerheidstelling of depot, onder welke benaming ook, kan op grond van hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een ander dier Staten optreden.”
2.4. De rechtbank merkt op dat de Oekraïne, als rechtsopvolger van de USSR, welke staat partij was bij het Verdrag, heeft aangeven de gebondenheid aan dit Verdrag voort te zetten, met ingang van 24 augustus 1991. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de Oekraïne partij is bij het Verdrag en dat het Verdrag kan worden ingeroepen door hen die in de Oekraïne domicilie hebben.
2.5. In artikel 224, lid 2 Rv is een aantal uitzonderingen op de in lid 1 vermelde verplichting tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten opgenomen. Deze bepaling luidt – voorzover relevant – als volgt.
“Geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat:
a. indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening;
(…).”
Uit hetgeen de rechtbank onder 2.4 en 2.5 heeft overwogen volgt dat LIA terecht een beroep heeft gedaan op de uitzondering als omschreven in artikel 224, lid 2 onder a Rv, juncto artikel 17, lid 1 van het Verdrag. De rechtbank is van oordeel dat LIA dan ook niet verplicht is tot het stellen van zekerheid.
2.6. De slotsom is dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
2.7. AFD, ALC en DITG zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. veroordeelt AFD in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,
3.3. veroordeelt ALC in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,
3.4. veroordeelt DITG in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,
in de hoofdzaak
3.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 juli 2008 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2008.