ECLI:NL:RBZLY:2008:BG8706
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing van bodembeslag op goederen van buiten gemeenschap gehuwde echtgenoot bij belastingschuld
De zaak betreft een geschil over het bodembeslag dat de Belastingdienst heeft gelegd op roerende zaken van de echtgenote van een belastingschuldige, terwijl zij onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De echtgenote vordert opheffing van het beslag, stellende dat de goederen haar eigendom zijn en dat het beslag disproportioneel is.
De rechtbank overweegt dat het recht op ongestoord genot van eigendom relatief is en dat het bodemrecht, zoals vastgelegd in artikel 22 lid 3 van Pro de Invorderingswet 1990, het mogelijk maakt beslag te leggen op goederen van derden die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Dit is in lijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie van het Europese Hof.
Echter, in dit geval is erkend dat de goederen juridisch en economisch eigendom zijn van de echtgenote, zonder aanwijzingen van misbruik of samenspanning. De rechtbank stelt vast dat de fiscus onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de echtgenote anders behandeld wordt dan andere derden met reële eigendom. Daarom is er sprake van ongelijke behandeling en wordt het beslag opgeheven.
De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tevens in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het bodembeslag op de goederen van de buiten gemeenschap gehuwde echtgenote wordt opgeheven wegens onvoldoende rechtvaardiging en ongelijke behandeling.