4.7
Ook het door [gedaagde partij] nog gevoerde betoog dat [eisende partij] zich als slecht verhuurder gedraagt door haar zorgplicht jegens haar en andere huurders structureel en aanhoudend te verzaken, kan haar naar het oordeel van de kantonrechter niet baten. Dat [eisende partij] zich onvoldoende voortvarend en niet adequaat heeft ingespannen om de situatie voor [gedaagde partij] te verbeteren, gelijk [gedaagde partij] ter adstructie van dat betoog heeft gesteld, is de kantonrechter namelijk onvoldoende gebleken; zulks mede niet gezien in het licht van de omstandigheid dat het nu eenmaal gebruikelijk is dat zich bij het starten van een net ontwikkeld, deels nog in aanbouw zijnd winkelcentrum, zoals het onderhavige, aanloopproblemen voordoen. Zo zal het nieuwe winkelcentrum naamsbekendheid moeten krijgen, zullen vast koopgedrag en looproutes bij het publiek moeten veranderen en kan er vertraging optreden bij nog in gang zijnde bouwwerkzaamheden. Er kan geruime tijd voorbij gaan –partijen hebben in dit verband zelf gesproken over drie jaren- voordat die problemen zijn opgelost. Professionele huurders als [gedaagde partij] moeten daarop bedacht zijn en kunnen dan ook niet van de verhuurder verlangen dat deze meteen al die acties onderneemt, die nodig zijn om hun onderneming vlekkeloos te laten lopen. Dat de problemen die [gedaagde partij] stelt te ondervinden, die gebruikelijke opstartproblemen overstijgen, is onvoldoende gebleken. Het enkele feit dat [eisende partij] het bureau [S] & Partners heeft ingeschakeld, duidt daar in elk geval onvoldoende op. Mede bezien in dit licht van die gebruikelijke opstartproblemen, kan niet gezegd worden dat [eisende partij] zich onvoldoende heeft ingespannen voor [gedaagde partij] (en de andere huurders).
Zo staat in elk geval vast dat [eisende partij] de van haar huurders uit hoofde van de huurovereenkomst ontvangen promotiekostenbijdragen doorbetaalt aan de Ondernemersvereniging Stadshart Almere, die dit aanwendt ter promotie van onder meer het nieuwe winkelcentrum. Voorts heeft [eisende partij] daarnaast ook zelf nog een eenmalige promotiebijdrage geleverd van € 75.000,00. Ook staat vast dat [eisende partij] voor de promotie van het Stadshart Almere een professionele marketingmanager heeft aangetrokken –zij het dat de huurders van het nieuwe winkelcentrum daar ook zelf in hebben bijgedragen- en dat [eisende partij] -samen met de gemeente Almere- de kosten voor aanpassing van de promotiecampagne heeft betaald. Tevens staat vast dat [eisende partij] in 2006 de onderneming Buhren Van Deventer opdracht heeft gegeven om met een voorstel te komen om de aansluiting vanuit de Stationstraat/Stadhuisplein op de Diagonaal te verbeteren en dat [eisende partij] in november 2007 het bureau [S] & Partners heeft ingeschakeld om een totaalplan voor de positionering en marketing van het Stadshart te ontwikkelen, terwijl tenslotte vaststaat dat op kosten van [eisende partij] de schutting bij de bibliotheek is beschilderd en dat op haar kosten daar verlichting is aangebracht. Weliswaar hebben deze maatregelen niet of nog niet de gewenste effecten gehad, maar dat kan niet aan [eisende partij] worden toegerekend. Daarbij komt nog dat [gedaagde partij] dan wel heeft betwist dat er sprake is van een structureel en veelvuldig overleg tussen [eisende partij] en de gemeente Almere, maar -nog daargelaten of [eisende partij] wel gehouden is tot dergelijk overleg nu dit overleg, kort gezegd, “de omgevingsfactoren” van het nieuwe winkelcentrum betreft, die bij [gedaagde partij] voorafgaande het sluiten van de huurovereenkomst bekend mochten worden verondersteld-, niet, althans onvoldoende, is weersproken, dat [eisende partij] in elk geval overleg heeft gevoerd met de gemeente Almere om te komen tot een betere bewegwijzering in en rond het nieuwe winkelcentrum, over de mogelijkheid tot plaatsing van haakse reclame uitingen en over de mogelijkheden om de inrichting van de openbare ruimten in het nieuwe winkelcentrum “gezelliger” te maken (door de verlichting te verbeteren, meer groen aan te brengen en bankjes/stoeltjes en kiosken te plaatsen).
Kortom, naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden volgehouden dat [eisende partij] haar zorgplicht jegens [gedaagde partij] structureel en aanhoudend heeft verzaakt. Van een gebrek in deze zin, zoals door [gedaagde partij] bepleit, is dan ook geen sprake. Evenmin kan worden volgehouden dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming bestaande uit slecht verhuurderschap.