ECLI:NL:RBZLY:2008:BF8916

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
30 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/400003-08
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 27 SrArt. 300 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling voor mishandeling in Zwolle

Op 4 januari 2008 vond in de Diezerstraat te Zwolle een incident plaats waarbij verdachte en een medeverdachte betrokken waren. Verdachte werd beschuldigd van afpersing en mishandeling. De afpersing betrof het met geweld en bedreiging dwingen van een slachtoffer tot afgifte van een portemonnee. De mishandeling betrof het slaan van een ander slachtoffer, waarbij letsel werd toegebracht.

Tijdens de rechtszaak stelde de verdediging dat verdachte niet betrokken was bij de afpersing en dat er geen sprake was van medeplegen. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen voor afpersing, mede omdat niet was komen vast te staan dat verdachte bewust en nauw samenwerkte met de medeverdachte bij het toe-eigenen van de portemonnee.

Wel werd vastgesteld dat verdachte opzettelijk mishandeling had gepleegd door het slachtoffer krachtig in het gezicht te slaan, wat pijn en letsel veroorzaakte. Verdachte erkende dit feit en de rechtbank veroordeelde hem tot een taakstraf van 60 uur, met een vervangende hechtenis van 30 dagen indien de taakstraf niet wordt uitgevoerd. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

De rechtbank hield rekening met het blanco strafblad van verdachte, zijn spijtbetuiging en het lage recidivegevaar. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie, die 12 maanden gevangenisstraf vorderde. De uitspraak werd gedaan op 30 september 2008 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van afpersing en veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnr. : 07.400003-08 P
Uitspraak: 30 september 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[verdachte]
geboren op [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle.
Een eerder onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 20 mei 2008. De rechtbank heeft nadien, bij vonnis van 3 juni 2008, geoordeeld dat in deze zaak nog geen einduitspraak kon worden gedaan, nu het onderzoek niet volledig was geweest en diende te worden heropend. De rechtbank wenste nader geïnformeerd te worden middels het horen van de getuigen [getuige 1] [getuige 2] en [getuige 3].
TENLASTELEGGING
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 maart 2008.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 04 januari 2008 in de gemeente Zwolle, in de Diezerstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende één of meer legitimatiepasjes en/of kleingeld), in elk geval van enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- die [benadeelde partij 1] krachtig één of meermalen met gebalde vuist(en) in/tegen diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of (vervolgens)
- die [benadeelde partij 1] (liggend op de grond) één of meermalen op/tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of (vervolgens)
- die [benadeelde partij 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: Je moet je portemonnee afgeven” en/of “Ik heb een pistool bij mij”, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;
art 317 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 04 januari 2008 in de gemeente Zwolle, in de Diezerstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende één of meer legitimatiepasjes en/of kleingeld), in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- die [benadeelde partij 1] krachtig één of meermalen met gebalde vuist(en) in/tegen diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of (vervolgens)
- die [benadeelde partij 1] (liggend op de grond) één of meermalen op/tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of (vervolgens)
- die [benadeelde partij 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: “Je moet je portemonnee afgeven” en/of “Ik heb een pistool bij mij”, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro sub 2 Wetboek van Strafrecht
2.
Hij op of omstreeks 04 januari 2008 in de gemeente Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), krachtig één of meermalen in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
FORMELE VOORVRAGEN
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor een schorsing van de vervolging.
DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair onder 1 tenlastegelegde, te weten afpersing, en het onder 2 tenlastegelegde, te weten mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de raadsman.
De raadsman heeft gesteld dat de beroving geen vooropgezet plan was, dat verdachte niet wist dat zijn neef – medeverdachte [X] – dat zou doen en bovendien niet ter plaatse was toen een en ander zich afspeelde. Er is geen sprake van medeplegen omdat er geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. De gedragingen van medeverdachte gingen veel verder dan het opzet van verdachte. Het onder 2 tenlastegelegde kan bewezen worden verklaard.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs het navolgende, op grond van de hierna vermelde bewijsmiddelen.
De vaststaande feiten:
Op vrijdag 4 januari 2008, omstreeks 4:30 uur, liepen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] door de Diezerstraat te Zwolle. Verdachte en medeverdachte [X] fietsten vlak langs hen. Hierop riep [benadeelde partij 1] hen na: “Kankerleiers flikker op!” Verdachte en medeverdachte [X] keerden zich vervolgens om en fietsten terug. [benadeelde partij 1] wordt vervolgens geslagen en geschopt door verdachte en medeverdachte [X]. [benadeelde partij 2] wilde het gevecht sussen, en werd daarbij een keer op zijn linkeroog en twee keer op zijn mond geslagen door verdachte. Het gevolg was een pijnlijk oog en een bloedlip.
Het onder 1. ten laste gelegde:
Zowel uit de verklaringen en gedragingen van verdachte zelf, als uit de verklaringen van de slachtoffers, de getuigen en medeverdachte [X], volgt dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Het is niet duidelijk geworden om welke reden medeverdachte [X] zich de portemonnee van [benadeelde partij 1] heeft toegeëigend onder dreiging van de mededeling dat hij een pistool bij zich had; de rechtbank is evenwel van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op enige wijze daarin een aandeel heeft gehad.
Er is niet gebleken dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [X] voor zover dit ziet op het zich toe-eigenen van deze portemonnee. Evenmin is komen vast te staan dat het opzet van verdachte daarop was gericht. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem onder 1 ten laste gelegde, omdat dit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Het onder 2. ten laste gelegde:
Het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft dit erkend en door de verdediging is, wat dit feit betreft, geen vrijspraak bepleit.
BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
hij op 04 januari 2008 in de gemeente Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), krachtig meermalen in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
Wat meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
DE KWALIFICATIE
Het bewezenverklaarde levert op:
Mishandeling,
Strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek Pro van Strafrecht.
STRAFBAARHEID
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat te zijnen laste bewezen is verklaard.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 27, 300
De strafoplegging
De eis van de officier van justitie
Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde:
Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
Nu slechts feit 2 bewezen kan worden verklaard is een taakstraf geïndiceerd. Verdachte heeft een blanco strafblad. Drank was de oorzaak van het gedrag van verdachte, alhoewel dit vanzelfsprekend geen excuus is. Uit het vroeghulp interventie rapport blijkt dat verdachte het onbegrijpelijk vindt dat het zo uit de hand heeft kunnen lopen; hij heeft er veel spijt van. Het recidive-gevaar wordt laag ingeschat. Ten slotte wordt verzocht om opheffing van het geschorste bevel bewaring.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder meer naar voren gekomen in het vroeghulp interventierapport d.d. 10 januari 2008. De bevindingen van de rapporteur komen er op neer dat verdachte spijt heeft van zijn handelen en van plan is om op enig moment excuses aan te bieden aan de slachtoffers. Het valt de rapporteur daarbij op dat verdachte zijn alcoholgebruik niet als excuus voor zijn gedrag aanvoert, maar als een kwalijke oorzaak beoordeelt, hetgeen als positief mag worden gezien. Verdachte geeft hiermee blijk van inzicht en erkent de oorzaak van zijn handelen. Het recidivegevaar wordt door de rapporteur mede op grond daarvan als laag ingeschat.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de omstandigheid dat verdachte – anders dan door de officier van justitie gevorderd – wordt vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank laat voorts meewegen dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit, en er daarnaast blijk van heeft gegeven in te zien dat hij verkeerd heeft gehandeld. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een taakstraf als hierna te melden.
BESLISSING
Het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde is niet bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Het onder 2 tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren.
De rechtbank beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.
De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.
Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. F. Koster en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2008.