ECLI:NL:RBZLY:2008:BF0499

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
28 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07.601233-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 47 lid 1 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging doodslag na steekincident Almere

Op 8 september 2006 vond in Almere een steekincident plaats waarbij twee slachtoffers werden gestoken. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag door het steken van de slachtoffers met een mes in de rug en het gezicht. Tijdens het onderzoek en de zittingen bleek echter dat geen van de slachtoffers kon bevestigen dat verdachte de dader was. Een getuige verklaarde aanvankelijk de dader te hebben gezien, maar trok deze verklaring later in.

De officier van justitie erkende dat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kon worden bewezen. De verdediging voerde aan dat sprake was van persoonsverwisseling en wees op het ontbreken van aanvullend onderzoek naar een Audi A3, een medisch rapport en een telefoonnummer genoemd door een slachtoffer. Ook ontbraken verslagen van politiecontacten met getuigen.

De rechtbank concludeerde dat de bewijsvoering onvoldoende was om verdachte te verbinden aan het steekincident. De dagvaarding was geldig, de rechtbank was bevoegd en de officier van justitie ontvankelijk, maar de feiten konden niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlasteleggingen van poging tot doodslag.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad op 28 augustus 2008, na meerdere zittingen vanaf maart 2007. De rechtbank hechtte waarde aan de inconsistenties in getuigenverklaringen en het ontbreken van cruciaal aanvullend onderzoek.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnummer : 07.601233-06 (P)
Uitspraak : 28 augustus 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[verdachte],
[geboortedatum],
[woonplaats]
HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is aangevangen ter openbare terechtzitting van 19 maart 2007 bij de politierechter van deze rechtbank, die de behandeling ter terechtzitting heeft geschorst en verwezen naar de meervoudige strafkamer van deze rechtbank.
Het onderzoek is vervolgens gehouden ter openbare terechtzitting van 22 november 2007, 20 maart 2008 en 28 augustus 2008.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. F.H. Schormans. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte, bijgestaan door mr. E.N. de Bode, advocaat te Amsterdam, is aangevoerd.
DE TENLASTELEGGING
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2007.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 08 september 2006 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] één of meermalen met een mes, althans met een scherp snijdend en/of stekend voorwerp, in de rug heeft gestoken/geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 8 september 2006 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slac[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp stekend en/of snijdend voorwerp, in het gezicht heeft gestoken/geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub1 Wetboek van Strafrecht
DE FORMELE VOORVRAGEN
Bij het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen, de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering en er geen gronden zijn gebleken voor een schorsing van de vervolging.
BEWIJS
De vaststaande feiten
Uit het dossier is het volgende gebleken.
Op vrijdag 8 september 2006 krijgen verbalisanten de melding te gaan naar de Grote Markt in Almere alwaar een steekpartij zou hebben plaatsgevonden. Ter plaatse aangekomen treffen zij achtereenvolgens de slachtoffers [slachtoffer] [slachtoffer] en [slachtoffer] [slachtoffer] aan. Beiden blijken te zijn gestoken en doen daarvan aangifte.
[slachtoffer] verklaart in zijn aangifte dat hij, voorafgaand aan voornoemde steekpartij, in de garderobe van discotheek De Mambo ruzie heeft gehad met een jongen, omdat aangever hem per ongeluk aanstootte. Verdachte verklaart eveneens in de garderobe van De Mambo ruzie te hebben gehad met een jongen, omdat deze jongen hem een elleboogstoot gaf.
[slachtoffer] verklaart in zijn aangifte voorts dat de jongen met wie hij in De Mambo ruzie heeft gehad in een Audi A3 is gestapt en dat zowel die jongen als de bestuurder van de Audi later zijn uitgestapt. Volgens [slachtoffer] heeft de bestuurder van de Audi hem vervolgens gestoken.
[slachtoffer] verklaart in zijn aangifte niet te hebben gezien wie hem in zijn rug heeft gestoken.
De getuige [getuige] verklaart tegenover de politie dat hij een negroïde jongen en een Indonesische jongen uit de Audi heeft zien stappen en dat de Indonesische jongen de beide aangevers heeft gestoken. Tegenover de rechter-commissaris verklaart de getuige [getuige] echter dat hij niet heeft gezien wie heeft gestoken.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft aangegeven dat er geen nader onderzoek is verricht naar de Audi A3, ondanks de tijdens de behandeling ter terechtzitting van 20 maart 2008 door haar gedane toezegging hieromtrent.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Zij heeft aangevoerd dat vast staat dat er een ruzie/onenigheid is geweest tussen verdachte en [slachtoffer] en dat voorts vast staat dat de beide aangevers zijn gestoken, echter dat geen van beiden heeft gezien wie heeft gestoken. De getuige [getuige] verklaart aanvankelijk dat hij heeft gezien wie heeft gestoken, en daarna ten overstaan van de rechter-commissaris dat hij dit niet heeft gezien. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte degene is geweest die heeft gestoken.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft naar voren gebracht dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling, aangezien verdachte uitdrukkelijk verklaart niet ter plaatse te zijn geweest.
Voorts heeft de verdediging aangegeven dat zich, afgezien van het niet verrichte onderzoek naar de Audi A3, in het strafdossier verder nog de nodige oneffenheden bevinden. In het dossier ontbreekt een medische verklaring en door [slachtoffer] is een telefoonnummer genoemd waar geen nader onderzoek naar is verricht. Tenslotte heeft de verdediging gewezen op het feit dat uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] en de getuige [getuige] later nog bij de politie zijn geweest, echter hiervan ontbreekt een verslag in het dossier.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat noch uit de zich in het dossier bevindende stukken noch uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die de slachtoffers [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank acht mitsdien niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. G. Blomsma en R.M. Berendsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2008.