ECLI:NL:RBZLY:2008:BD7885

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
21 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
139995 - HA ZA 07-1567
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van relatieve onbevoegdheid rechtbank in geschil over toepasselijkheid algemene voorwaarden

In deze civiele procedure vordert gedaagde sub 1 dat de rechtbank Zwolle-Lelystad zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Den Haag, op grond van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van eiser, die volgens gedaagde niet van toepassing zijn. Eiser stelt juist dat deze voorwaarden wel van toepassing zijn en dat de rechtbank Zwolle-Lelystad bevoegd is.

De rechtbank beoordeelt in het incident dat het voorwaardelijke beroep op relatieve onbevoegdheid door gedaagde sub 1 niet toelaatbaar is omdat dit in strijd is met artikel 110 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat vereist dat een beroep op relatieve onbevoegdheid vóór alle andere verweren wordt ingesteld. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat alleen gedaagde een exceptie van onbevoegdheid kan instellen en niet eiser.

De rechtbank wijst het beroep op relatieve onbevoegdheid af en verklaart zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist. De zaak wordt op 4 juni 2008 opnieuw op de rol gezet voor beraad over het bepalen van een comparitie.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep op relatieve onbevoegdheid af en verklaart zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 139995 / HA ZA 07-1567
Vonnis in incident van 21 mei 2008
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te [woonplaats],
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
procureur mr. R.K.E. Buysrogge,
advocaat mr. L.A. Vitanova te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[gedaagde sub 1],
gevestigd te [woonplaats],
2. [gedaagde sub 2],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats],
3. [gedaagde sub 3],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats],
4. [gedaagde sub 4],
vennoot van gedaagde sub 1,
wonende te [woonplaats],
gedaagden in conventie in de hoofdzaak,
eiseressen in reconventie in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
procureur mr. M.J.M. Groen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 1] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- akte houdende producties van de zijde van [eiser];
- conclusie van antwoord in conventie houdende (voorwaardelijke) exceptie van
onbevoegdheid, tevens conclusie van eis in reconventie;
- conclusie van antwoord in het incident tot (voorwaardelijke) exceptie van
onbevoegdheid.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
1.3. Nadien heeft de rechtbank nog een brief ontvangen van mr. Groen voornoemd, gedateerd 14 maart 2008, waarin het verzoek wordt gedaan om te mogen reageren op het standpunt van [eiser] aangaande de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden, als verwoord in de conclusie van antwoord in het incident tot (voorwaardelijke) exceptie van onbevoegdheid. De rechtbank is aan dit verzoek voorbijgegaan, nu reeds vonnis in incident was bepaald.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [gedaagde sub 1] vordert dat de rechtbank Zwolle-Lelystad zich (zo nodig) onbevoegd zal verklaren om van het geschil kennis te nemen en de zaak (zo nodig) zal verwijzen naar de rechtbank Den Haag. Zij is van mening dat de Algemene Voorwaarden van [eiser] niet van toepassing zijn op de relatie tussen partijen. [gedaagde sub 1] voert aan dat, indien [eiser] zich in het verloop van de procedure zal beroepen op haar algemene voorwaarden en de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, de rechtbank de onderhavige zaak op grond van de algemene voorwaarden (artikel 16) zal dienen te verwijzen naar de rechtbank Den Haag.
2.2. [eiser] heeft zich in de conclusie van antwoord in het incident beroepen op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden en geconcludeerd dat op grond daarvan de rechtbank Zwolle-Lelystad niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. De zaak dient verwezen te worden naar de rechtbank Den Haag. [eiser] refereert zich inzake het incident aan het standpunt van de rechtbank.
2.3. Ingevolge artikel 110 Rv Pro. dient het beroep op relatieve onbevoegdheid van de rechter gevoerd te worden vóór alle weren. [gedaagde sub 1] doet in haar conclusie van antwoord houdende exceptie van onbevoegdheid echter een voorwaardelijk beroep op relatieve onbevoegdheid, namelijk voor het geval [eiser] zich in de loop van de procedure beroept op haar algemene voorwaarden en de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Dit voorwaardelijke beroep op relatieve onbevoegdheid is in strijd met artikel 110 Rv Pro. en derhalve niet deugdelijk.
2.4. Hetgeen [eiser] nog heeft aangevoerd in haar conclusie van antwoord in het incident is niet relevant. [eiser] heeft de keuze gemaakt om de zaak aanhangig te maken bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Alleen gedaagde in de hoofdzaak [gedaagde sub 1] kan een exceptie van onbevoegdheid instellen, niet eiseres in de hoofdzaak [eiser].
2.5. De slotsom is dat deze rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen.
2.6. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 juni 2008 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.