Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 55 lid 3 sub a Wet wapens en munitieArt. 27 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor drugshandel en illegaal wapenbezit met vrijspraak voor ander tenlastegelegd feit
De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde op 12 februari 2008 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder drugshandel en het bezit van verboden wapens. Het openbaar ministerie vorderde een gevangenisstraf van 42 maanden en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen wapens en tie-rips. De verdediging voerde onder meer aan dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege onvoldoende grond voor de toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheden.
De rechtbank oordeelde dat het OM wel ontvankelijk was, omdat de bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals stelselmatige observatie, telefoontaps en plaatsbepalingsapparatuur rechtmatig waren ingezet op basis van voldoende aanwijzingen en machtigingen. Het onder 1 en 3 tenlastegelegde werd wettig en overtuigend bewezen verklaard, terwijl het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen werd geacht.
De verdachte werd veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De rechtbank gelastte de teruggave van tie-rips en onttrok de twee pistolen met munitie aan het verkeer. De strafrechtelijke geschiedenis van verdachte en de ernst van de feiten maakten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk. De uitspraak werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor drugshandel en illegaal wapenbezit, vrijgesproken van een ander tenlastegelegd feit.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnummer : 07/607313-07
Uitspraakdatum : 12 februari 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[verdachte],
[geboortedatum],
[woonplaats]
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle.
De officier van justitie, mr. M. Kamper, heeft ter terechtzitting gevorderd:
- de verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde,
- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht,
- onttrekking aan het verkeer van de tie-ribs, en de twee pistolen, voorkomend op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging)
ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat het opsporingsonderzoek is gestart naar aanleiding van CIE informatie van 11 juli 2007, die slechts via één informant is binnengekomen inhoudende dat verdachte zich zou bezighouden met de invoer van cocaïne. Volgens de raadsman is dit niet voldoende geweest om verdachte te onderwerpen aan observatie, telefoontaps en het plaatsen van plaatsbepalingsapparatuur. Er was volgens de raadsman geen voldoende redelijk vermoeden van schuld en verdenking op grond waarvan de bevelen ex artikel 126g, 126m en 126n van het Wetboek van Strafvordering konden worden gebaseerd.
De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.
Uit de stukken van het dossier, te weten de aanvragen bevelen ex artikel 126g, 126 m en 126n van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat daaraan ten grondslag ligt allereerst het proces-verbaal CIE-informatie, daarnaast de melding van verdachte op 7 februari 2006 dat hij werd bedreigd in verband met een ripdeal ter zake 2 kilogram cocaïne die volgens de bedreiger van verdachte door verdachte is veroorzaakt en verder een flink aantal antecedenten waaronder veroordelingen terzake harddrugs en wapens. De rechtbank oordeelt dat de officier van justitie op de juiste gronden de beslissing heeft genomen over te gaan tot de toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheid tot stelselmatige observatie, daarvoor mede gebruikmakend van foto- en videocamera en plaatsbepalingsapparatuur. Ten aanzien van de telefoontaps geldt dat de vereiste machtigingen door de rechter-commissaris zijn verleend.
De rechtbank verwerpt aldus het standpunt van de raadsman en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.
BEWIJS
De verdachte dient van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
Van het onder 1 en 3 meer of anders tenlastegelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.
STRAFBAARHEID
Het bewezene levert op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhefPro en onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
strafbaar gesteld bij artikel 2 junctoProartikel 10 vanPro de Opiumwet.
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26 eerstePro lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, sub a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.
OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.
Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgenomen op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” overweegt de rechtbank het navolgende.
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de aan de hem toebehorende, op voornoemde lijst onder 1 vermelde voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.
De rechtbank is van oordeel dat de op voornoemde lijst onder 2 en 3 vermelde voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd zijn met de wet.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 januari 2008.
De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het onder 2 tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Het onder 1 en 3 tenlastegelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.
Het onder 1 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
42 maanden.
De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1 vermelde voorwerpen, te weten tie-rips.
De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 2 en 3 vermelde voorwerpen, te weten een pistool merk Walther en een pistool merk BBM, telkens met patronen.
Aldus gewezen door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008.