ECLI:NL:RBZLY:2007:BC4732
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en opheffing beslag in kort geding tussen staalbouwbedrijven
In deze zaak tussen twee besloten vennootschappen, [A] Staalbouw B.V. en [B] Bouw B.V., staat een relatief bevoegdheidsincident en de opheffing van conservatoir beslag centraal. Eerder heeft de Rechtbank Amsterdam een bodemvonnis gewezen waarin een deel van de vordering van [A] is toegewezen en [B] in de gelegenheid is gesteld bewijs te leveren voor haar reconventionele vordering.
[B] betoogde dat alleen de voorzieningenrechter die het verlof tot beslag verleende bevoegd was tot opheffing van het beslag, maar de rechtbank oordeelde dat artikel 705 Rv Pro geen beperking maar een aanvulling is op de gewone bevoegdheidsregels. De voorzieningenrechter in Zwolle is dus bevoegd om over de opheffing te beslissen.
De rechtbank stelde vast dat [B] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vordering deugdelijk is. Zij heeft geen bewijs geleverd van de door haar gestelde schade en geen schadebeperkende maatregelen getroffen. De vordering tot opheffing van het beslag wordt toegewezen en de vordering van [B] tot het verstrekken van een bankgarantie wordt afgewezen. Tevens worden dwangsommen opgelegd aan [B] voor het geval zij in strijd met het vonnis handelt.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich bevoegd en beveelt opheffing van het beslag van [B] onder de Stichting Derdengelden en ING Bank, terwijl de vordering tot bankgarantie wordt afgewezen.