ECLI:NL:RBZLY:2007:BB8857

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
1 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 06/2268
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.E.C. van Rijckevorsel-Besier
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 225 GemeentewetArt. 231 GemeentewetArt. 234 GemeentewetArtikel 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting bij ontbreken zichtbaar parkeerkaartje

Eiser parkeerde zijn auto op een plek waar parkeerbelasting verschuldigd is en kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat er geen geldig parkeerkaartje zichtbaar achter de voorruit lag. Eiser stelde dat hij de parkeerbelasting wel had voldaan en overhandigde achteraf het originele parkeerkaartje, maar plaatste dit niet zichtbaar in de auto vanwege gezondheidsredenen die niet onderbouwd waren.

De rechtbank overwoog dat volgens de gemeentelijke verordening en het bestuursrechtelijke kader het plaatsen van het parkeerkaartje zichtbaar achter de voorruit een aanwijzing is die voldoende bewijs levert dat aan de aangifte- en betalingsverplichting is voldaan. Het enkel achteraf tonen van een parkeerkaartje is onvoldoende, mede vanwege de handel in parkeerkaartjes via internet.

Eiser heeft geen voldoende plausibele verklaring gegeven waarom het kaartje niet zichtbaar was en heeft daarmee niet aangetoond dat de parkeerbelasting daadwerkelijk was betaald. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd omdat het parkeerkaartje niet zichtbaar achter de voorruit lag en eiser onvoldoende bewijs leverde dat de belasting was voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Belastingkamer
Registratienummer: Awb 06/2268
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
A te B,
eiser,
en
het hoofd sectie belastingen van de gemeente (…) verweerder,
gemachtigde mr. (…)
1.Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 5 juli 2006 heeft verweerder eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 48,00 opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser op 26 juli 2006 een bezwaarschrift ingediend.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 september 2006 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard. Op 19 oktober 2006 heeft de gemeente een door eiser op 3 oktober 2006 aan de gemeente gestuurde reactie op deze uitspraak, doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroep. Verweerder heeft op 10 april 2007 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 30 augustus ter zitting behandeld. Eiser is verschenen
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. (…)
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
2.De feiten
Op 5 juli 2006 heeft eiser zijn auto met kenteken (..-..-) geparkeerd op het (…). Deze plaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. De parkeercontroleur van de gemeente (…) heeft geconstateerd dat in de auto van eiser op genoemde datum om 10.16 uur geen geldig parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was.
Eiser is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met nummer 050070610162240. De naheffingsaanslag bedraagt € 48,00 waarvan € 1,00 parkeerbelasting en € 47,00 kosten van de naheffingsaanslag.
3.Het geschil
In geschil is de vraag of verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd.
4.Beoordeling van het geschil
Eiser heeft niet betwist dat er geen parkeerbewijs achter de voorruit lag ten tijde van het opleggen van de aanslag. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen enkele formele verplichting bestaat om het betaalbewijs zichtbaar in de auto achter te laten en dat volstaat dat hij aantoont dat de parkeerbelasting wel degelijk betaald is. Daartoe heeft eiser bij zijn bezwaarschrift het originele parkeerkaartje overgelegd. Eerst ter zitting heeft eiser gezegd, dat hij vanwege zijn astma niet meer van de parkeermeter naar zijn auto terug kon lopen, maar het kaartje in zijn zak heeft gestopt en naar zijn bestemming (ingang ziekenhuis) is gewandeld.
Verweerder heeft naar voren gebracht dat in het algemeen het achteraf tonen of meezenden van een parkeerkaartje onvoldoende bewijs levert dat de verschuldigde parkeerbelasting tijdig, door eiser, op aangifte, is voldaan.
Volgens verweerder is pas aan de aangifteverplichting voldaan indien het parkeerkaartje duidelijk zichtbaar achter de voorruit wordt geplaatst.
Subsidiair stelt verweerder dat het achteraf meesturen van een kaartje onvoldoende bewijs is dat eiser aan de aangifteverplichting parkeerbelastingen heeft voldaan, omdat er onder andere op internet in parkeerkaartjes wordt gehandeld. Eiser heeft er bewust voor gekozen om geen parkeerkaartje achter de voorruit te plaatsen. Het is daardoor niet erg geloofwaardig dat eiser aan de aangifteverplichting heeft voldaan door middel van het kopen van een parkeerkaartje. Ook overigens heeft eiser geen argumenten aangegeven waaruit blijkt dat eiser aan de aangifteverplichting heeft voldaan.
De rechtbank oordeelt als volgt:
Op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2006
(Verordening) is parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. De belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
Niet in geschil is dat, zoals door eiser naar voren is gebracht, in deze Verordening niet is geregeld dat er een verplichting bestaat om bij het parkeren op een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is, een parkeerkaartje zichtbaar achter de voorruit te leggen.
Dit leidt echter om het navolgende niet tot een geslaagd beroep.
Ingevolge het bepaalde in artikel 234 , gelezen in samenhang met artikel 225 Gemeentewet Pro kan de gemeente, onder meer, parkeerbelasting heffen bij wege van voldoening op aangifte. De heffing en invordering geschieden op grond van artikel 231 Gemeentewet Pro met toepassing van de AWR, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
Op grond van artikel 20 AWR Pro kan parkeerbelasting worden nageheven bij wege van een naheffingsaanslag, indien de belasting niet is betaald. De naheffingsaanslag kan niet worden opgelegd indien niet is voldaan aan de aangifteverplichting maar de verschuldigde belasting wel is voldaan.
In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, als een parkeerkaartje niet achter de voorruit ligt niet gecontroleerd kan worden of er parkeerbelasting is betaald. Verweerder heeft in het verweerschrift er de nadruk op gelegd, dat eiser, door het parkeerkaartje niet zichtbaar achter de voorruit te plaatsen, niet voldaan heeft aan zijn aangifteverplichting.
De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat door te voldoen aan de aanwijzing achter op een parkeerkaartje en dit duidelijk zichtbaar achter de voorruit te plaatsen, een belastingplichtige genoegzaam heeft aangetoond dat hij aan zijn aangifte- en betalingsverplichting heeft voldaan. Dit standpunt acht de rechtbank juist.
Als de aanwijzing niet wordt opgevolgd impliceert dit echter, gelet op het bepaalde in artikel 20 AWR Pro, niet dat niet alsnog bewijs geleverd kan worden van het feit dat de belasting wel is betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank is het enkel achteraf overleggen van een parkeerkaartje, gelet op de internethandel, als bewijs echter onvoldoende. Op zijn minst is daarbij een plausibele, zo mogelijk onderbouwde, uitleg, waarom dat kaartje niet achter de voorruit lag, geboden.
Met verweerder komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser in zijn bewijsvoering niet is geslaagd. Met het enkele feit dat eiser achteraf een kaartje overlegt is als gezegd niet aangetoond, dat de belasting door eiser is betaald. Het is algemeen bekend dat kaartjes, al dan niet via internet, worden uitgewisseld. Voorts heeft eiser in de gronden van bezwaar geen omstandigheden geschetst die er op duiden dat de aanname van verweerder dat vanwege het ontbreken van een geldig kaartje achter de voorruit de parkeerbelasting door eiser niet was voldaan, onjuist was. In de gronden van beroep heeft eiser louter naar voren gebracht dat voor hem geen enkele verplichting bestond om het parkeerkaartje achter de voorruit te leggen en eerst ter zitting heeft eiser aangegeven, dat hij vanwege astma niet is staat was om de afstand tussen de parkeermeter en zijn auto nog eens af te leggen. Enige onderbouwing, bijvoorbeeld een medische verklaring, is daarbij niet gegeven.
Het feit, dat dit betoog eerst ter zitting naar voren is gebracht en de oncontroleerbaarheid ervan maken, dat noch verweerder noch de rechtbank hierdoor zijn overtuigd, dat de belasting door eiser is betaald.
De naheffingsaanslag mocht derhalve worden opgelegd.
Het beroep van eiser op een uitspraak op bezwaar van verweerder van 29 juli 2003 doet hieraan niet af nu de omstandigheden van dat geval onvoldoende bekend zijn.
5.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. G.A. Genee als griffier, op
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;
dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt. N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.