ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5239
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Miltenburg
- Rechtspraak.nl
Gezinsvoogdij-instelling niet bevoegd tot uithuisplaatsing zonder rechterlijke machtiging
De zaak betreft een verzoek van de moeder om de aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling, die het kind van de moeder naar de vader liet verblijven, te laten vervallen. Het minderjarige kind verbleef sinds de echtscheiding bij de moeder, maar de gezinsvoogdij-instelling gaf een aanwijzing dat het kind bij de vader moest wonen. De moeder maakte bezwaar tegen deze uithuisplaatsing zonder rechterlijke tussenkomst.
De rechtbank stelt vast dat het kind feitelijk bij de moeder verbleef en dat de gezinsvoogdij-instelling niet bevoegd is om zonder rechterlijke machtiging een dergelijke ingrijpende wijziging in de verblijfplaats van het kind te effectueren. De wettelijke regeling vereist dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgegeven door de rechter, waarbij het belang van het kind centraal staat.
De rechtbank wijst erop dat de gezinsvoogdij-instelling slechts een lichtere taak heeft en dat een aanwijzing niet kan worden gebruikt om een uithuisplaatsing te effectueren zonder rechterlijke toetsing. De aanwijzing van 23 augustus 2007 wordt daarom vervallen verklaard. De rechtbank gaat niet in op de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de aanwijzing, omdat de bevoegdheid reeds ontbreekt.
Uitkomst: De aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling van 23 augustus 2007 wordt vervallen verklaard wegens gebrek aan bevoegdheid.