ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ9429
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Kort geding
- J. van der Hulst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot medewerking DNA-onderzoek ter vaststelling vaderschap
De man en vrouw hadden een affectieve relatie en uit deze relatie is een minderjarig kind geboren. De man vordert in kort geding dat de vrouw medewerking verleent aan een bloedonderzoek of DNA-test om vast te stellen of hij de biologische vader is van het kind. De vrouw verzet zich hiertegen.
De rechtbank oordeelt dat volgens artikel 1:199 BW Pro de vader van een kind degene is die het kind heeft erkend of wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. Artikel 1:207 BW Pro regelt dat alleen de moeder of het kind een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan indienen, niet de man zelf. De man kan de weg van vervangende toestemming ex artikel 1:204 BW Pro volgen om erkenning te verkrijgen.
De rechtbank stelt dat in een procedure ex artikel 1:204 BW Pro een deskundigenonderzoek kan worden gelast om het vaderschap vast te stellen, waarbij een DNA-onderzoek gerechtvaardigd kan zijn. De man kan in kort geding echter geen verklaring voor recht verkrijgen dat hij de verwekker is. Ook het recht van het kind om zijn ouders te kennen is niet absoluut en moet worden afgewogen tegen andere belangen.
De door de man aangevoerde medische omstandigheden en zijn onzekerheid over het vaderschap rechtvaardigen geen spoedeisende voorziening. De rechtbank wijst de vordering af en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot medewerking aan DNA-onderzoek wordt afgewezen en partijen dragen elk hun eigen proceskosten.