ECLI:NL:RBZLY:2005:AV4835

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
19 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97882 / HA ZA 04 -775 (2)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:166 BWArt. 6:197 BWArt. 130 RvArt. 243 Rv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing regresvordering verzekeraar op grond van groepsaansprakelijkheid en onrechtmatige daad

In deze civiele procedure vordert Interpolis, als verzekeraar van de benadeelde, regres op gedaagde wegens een brandstichting. De vordering was aanvankelijk gebaseerd op groepsaansprakelijkheid volgens artikel 6:197a BW, maar dit artikel sluit subrogatie uit. De rechtbank wijst de vordering daarom af, hoewel zij Interpolis de gelegenheid gaf haar stellingen aan te vullen.

Interpolis heeft vervolgens haar grondslag gewijzigd en zich beroepen op een zelfstandige onrechtmatige daad van gedaagde op grond van artikel 6:162 BW Pro. De rechtbank oordeelt echter dat de strafrechtelijke veroordeling van gedaagde alleen bewijst dat hij deel uitmaakte van een groep die onrechtmatig handelde, maar niet dat hij persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld. De specifieke handeling van het uitlenen van een vuuraansteker levert geen zelfstandig oorzakelijk verband met de schade op.

Verder betoogt Interpolis dat artikel 6:197 BW Pro niet van toepassing zou zijn, maar de rechtbank bevestigt dat dit dwingend recht is en niet kan worden genegeerd. De vordering en de buitengerechtelijke kosten worden daarom afgewezen. De proceskosten worden aan Interpolis opgelegd, met uitzondering van kosten van een vrijwaringsincident die voor rekening van gedaagde blijven omdat deze onnodig zijn gemaakt.

Uitkomst: De regresvordering van Interpolis wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
Enkelvoudige handelskamer
Zaaknr/rolnr: 97882 / HA ZA 04 -775
Uitspraak : 19 oktober 2005
V O N N I S
in de zaak, aanhangig tussen:
de naamloze vennootschap N.V. Interpolis Schade,
gevestigd te Tilburg,
eiseres,
procureur mr. F.W. van Vloten,
advocaat mr. H. Post te Helmond,
en
[gedaagde],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
gedaagde,
procureur mr. R.H. Broeksema.
PROCESGANG
Eerder is in deze zaak op 18 mei 2005 een tussenvonnis gewezen.
Daarna hebben partijen de volgende processtukken gewisseld:
- een akte uitlaten na tussenvonnis van de zijde van Interpolis;
- een antwoordakte van de zijde van Van Duren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
MOTIVERING
1 De rechtbank handhaaft en verwijst naar hetgeen zij in voormeld tussenvonnis heeft overwogen.
2 Partijen zijn bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld het bepaalde in artikel 6:197, tweede lid, onder a BW alsnog in hun respectieve stellingen te betrekken.
3 Interpolis heeft naar aanleiding daarvan gesteld dat zij de vordering primair baseert op het bepaalde in artikel 6:162 BW Pro. Aldus heeft zij blijkbaar de grondslag van haar vordering aangevuld. Anders dan Van Duren heeft gesteld is dat toelaatbaar, omdat Interpolis op de voet van het bepaalde in artikel 130, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) de grondslag van de eis kan veranderen zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Daarbij komt dat het standpunt van Van Duren op dit punt niet als een daadwerkelijk bezwaar tegen de aanvulling van de grondslag kan worden opgevat, aangezien hij verzuimd heeft enigerlei feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan worden afgeleid (dat hij van mening is) dat die aanvulling in strijd is met de eisen van een goede procesorde zoals bedoeld in genoemd artikel 130, eerste lid Rv.
4 De vordering op de grondslag van artikel 6:162 BW Pro is evenwel niet toewijsbaar. Immers, de strafrechtelijke veroordeling van Van Duren wegens medeplegen van het strafbare feit dat tot de schade in kwestie heeft geleid, bewijst uitsluitend dat hij behoorde tot een groep personen die onrechtmatig jegens de verzekerde van Interpolis heeft gehandeld. Het vonnis bevat echter geen oordeel van de strafrechter, dat dwingend bewijs in deze procedure oplevert, dat Van Duren daarnaast onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. Voor de beoordeling van dat laatste is van belang dat blijkens de stellingen van partijen de concreet-feitelijke handeling van Van Duren in het kader van de schadeveroorzakende gebeurtenis uitsluitend betrof de uitlening van zijn vuuraansteker aan een ander die deel uitmaakte van de groep personen. Die specifieke, op zichzelf staande verrichting levert echter geen zelfstandige onrechtmatige daad jegens het slachtoffer op, omdat bepaald niet kan worden geconcludeerd dat tussen deze gedraging en de schade in kwestie een oorzakelijk verband bestaat.
5 Verder heeft Interpolis onder aanvoering van een aantal argumenten betoogd dat met betrekking tot de grondslag van onrechtmatige daad in groepsverband, zoals bedoeld in artikel 6:166 BW Pro, het bepaalde in artikel 6:197 BW Pro buiten toepassing moet worden gelaten.
6 Wat van die argumenten ook zij, artikel 6:197 BW Pro is geldend en, blijkens het bepaalde in het derde lid, dwingend recht waaraan op de door Interpolis aangevoerde gronden niet voorbij kan worden gegaan. Gelet op rechtsoverwegingen 10 en 11 van genoemd tussenvonnis betekent zulks dat de hoofdvordering en de rente daarover op de hier bedoelde grondslag (ook) niet toewijsbaar is. Dit brengt mee dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten evenmin toewijsbaar zijn.
7 Het overige verweer van Van Duren behoeft ten slotte geen bespreking meer.
8 Interpolis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Van Duren worden verwezen, met dien verstande dat de kosten van het vrijwaringsincident voor rekening van Van Duren blijven, nu deze in feite nodeloos zijn gemaakt omdat hij ervan heeft afgezien Yassin, Mulder en Van der Steek in de vrijwaringsprocedure te betrekken.
BESLISSING
De rechtbank:
I wijst de vordering af;
II veroordeelt Interpolis in de kosten van deze procedure in de hoofdzaak. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van Van Duren gevallen, bepaald op EUR 1.248,-, waarvan EUR 1.176,- op de voet van artikel 243 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de griffier van deze rechtbank betaald moet worden (op rekening van de Rabobank met nummer 1923.25.930 ten name van DS 548 Arrondissement Zwolle, Postbus 10067, 8000 GB Zwolle onder vermelding van bovenstaand kenmerk).
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Vegter en in het openbaar uitgesproken op woensdag 19 oktober 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.