ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8696

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
17 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16-441032-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling kind in verzorging

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het mishandelen van een kind dat hij verzorgde als behorend tot zijn gezin. Het letsel aan het kind was op verschillende momenten vastgesteld, waaronder een val in de badkamer en letsel aan de billen. Diverse getuigen, waaronder de moeder en oma, verklaarden dat het kind vaak viel en beweeglijk was.

De officier van justitie achtte het bewezen dat verdachte het kind had mishandeld en probeerde zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdediging ontkende dit en wees op de wisselende verklaringen van het kind zelf en het ontbreken van getuigen die mishandeling door verdachte hadden gezien. Ook wees zij op een rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling waarin het letsel passend werd geacht bij een val.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende overtuigend was. De verklaringen van het kind waren tegenstrijdig en er was geen sluitend bewijs dat verdachte verantwoordelijk was voor het letsel. Hoewel het letsel niet altijd goed verklaard kon worden, was er onvoldoende steunbewijs om tot een veroordeling te komen.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten, waaronder mishandeling en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van mishandeling en poging tot zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/441032-11 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 september 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1982] te ’s-Hertogenbosch,
wonende te [adres], [woonplaats],
raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: in de periode van 1 april 2010 tot en met 29 maart 2011 [slachtoffer] (geboren op [2007]), een kind dat hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, meermalen heeft mishandeld;
Feit 2 primair: op 30 maart 2011 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (geboren op [2007]), een kind dat hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
Feit 2 subsidiair: op 30 maart 2011 [slachtoffer] (geboren op [2007]), een kind dat hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.
Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld en geen enkele getuige heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. Tijdens de momenten waarop [slachtoffer] in 2010 letsel heeft opgelopen, was verdachte niet aanwezig. De getuigen in het dossier hebben een verklaring gegeven voor de manier waarop [slachtoffer] destijds letsel heeft opgelopen.
Verdachte was wel aanwezig in de woning met [slachtoffer] op 30 maart 2011. Verdachte heeft echter verklaard dat [slachtoffer] is gevallen en [slachtoffer] heeft dit in eerste instantie zelf ook verklaard. Uit de rapportage van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling blijkt dat het letsel past bij een val tegen de verwarming. Voorts is van belang dat er na de val direct contact is geweest met moeder en dat moeder deze verklaring van verdachte heeft bevestigd. Ten slotte merkt de verdediging op dat [slachtoffer] een druk en beweeglijk kind is dat zich vaak stoot of valt.
De raadsvrouw concludeert dat er sprake is van onvoldoende bewijs en verzoekt verdachte vrij te spreken.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevindt en overweegt daartoe het volgende.
Naar aanleiding van een zorgmelding door het kinderdagverblijf bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling heeft de Forensische Polikliniek Kindermishandeling op 7 april 2011 een letselrapportage opgesteld omtrent [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), geboren op [2007]. Uit deze rapportage blijkt dat het letsel dat is ontstaan op 30 maart 2011, past bij de gemelde toedracht , te weten een val in de douche, waarbij het voorhoofd van [slachtoffer] tegen de verwarming is gebotst.
Over de toedracht van de val (de vraag of deze is veroorzaakt door uitglijden of door geduwd worden) kan geen uitspraak worden gedaan.
Uit de rapportage blijkt ook dat het letsel dat door het kinderdagverblijf is geconstateerd op de billen van [slachtoffer] op 6 oktober 2010, niet past bij de gemelde toedracht van een val op de dorpel in de douche.
De Forensische Polikliniek Kindermishandeling concludeert dat de combinatie van niet goed verklaarbare letsels, de niet passende verklaring van moeder betreffende het letsel op de billen van [slachtoffer], alsmede de uiteenlopende verklaringen betreffende het huidige letsel bij [slachtoffer] het vermoeden ondersteunen van lichamelijke kindermishandeling.
Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat vast staat dat [slachtoffer] op verschillende momenten in de jaren 2010 en 2011 letsel heeft opgelopen.
Verschillende getuigen verklaren dat [slachtoffer] een kind is dat door zijn beweeglijkheid af en toe letsel oploopt.
Hoewel er ook letsel is waarvoor niet een passende verklaring is gegeven blijkt uit het dossier echter niet of onvoldoende dat verdachte degene is die verantwoordelijk gehouden dient te worden voor dit letsel.
Ten aanzien van het letsel op de billen van [slachtoffer] dat op 6 oktober 2010 is geconstateerd, zou [slachtoffer] volgens twee getuigen hebben verklaard dat verdachte dit letsel heeft veroorzaakt. Aan een ander zou hij echter naar aanleiding van dit letsel hebben verteld dat hij was gevallen in de badkamer. Zowel de moeder als de oma verklaren bovendien over een val in aanwezigheid van uitsluitend de moeder op of rond het tijdstip dat dit letsel aan de billen is ontstaan, welke val volgens de moeder de dag erna is gevolgd door een val op het kinderdagverblijf.
Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat weliswaar uit het dossier naar voren komt dat verdachte alleen met [slachtoffer] in de woning was op 30 maart 2011, maar dat niet valt vast te stellen of [slachtoffer] uit zichzelf is gevallen in de badkamer of dat hij is geduwd of gegooid.
De rechtbank weegt enerzijds mee dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem in de douche heeft gegooid. Daar staat echter tegenover dat [slachtoffer] op andere momenten heeft verklaard dat hij is gevallen. In het bijzonder verklaart zijn moeder dat [slachtoffer] direct na het incident op 30 maart 2011 heeft verteld dat hij was gevallen. De rechtbank begrijpt dit, gelet op de context, als vallen zonder invloed van buitenaf.
Gelet op de wisselende verklaringen van [slachtoffer], het gebrek aan informatie over de wijze waarop die verklaringen tot stand zijn gekomen, en gelet op het gegeven dat er zich onvoldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen in het dossier bevindt, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van voldoende overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen.
De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande van het hem onder feit 1 en het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.
5. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1, feit 2 primair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 september 2012.