ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5810
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat KNHB verboden onderscheid maakte bij speelgerechtigdheid buitenlandse speler
Op 2 oktober 2011 speelde een Zuid-Afrikaanse speler mee in een uitwedstrijd van HC Den Bosch, terwijl zijn verblijfs- en tewerkstellingsvergunningen nog niet aan de KNHB waren overlegd. De KNHB legde daarop drie wedstrijdpunten in mindering en een boete op aan HC Den Bosch, gebaseerd op artikel B.8.5.j van het Bondsreglement 2011. Dit artikel stelt aanvullende eisen aan spelers van buiten de Europees Economische Ruimte (EER).
HC Den Bosch stelde dat dit onderscheid op grond van nationaliteit verboden is volgens de Algemene Wet Gelijke Behandeling (Awgb). De rechtbank oordeelde dat de KNHB als sportinstelling valt onder de reikwijdte van de Awgb en dat het Bondsreglement een direct onderscheid maakt op basis van nationaliteit, wat in strijd is met artikel 7 lid 1 Awgb Pro. De KNHB kon niet aantonen dat dit onderscheid gerechtvaardigd was.
De rechtbank verklaarde het besluit van de KNHB nietig en veroordeelde de KNHB om binnen acht dagen de gevolgen van het besluit ongedaan te maken, waaronder het teruggeven van de drie wedstrijdpunten aan HC Den Bosch. Tevens werd een dwangsom opgelegd en de KNHB veroordeeld in de proceskosten. De vordering tot vergoeding van juridische kosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het besluit van de KNHB is nietig verklaard en HC Den Bosch krijgt de drie wedstrijdpunten terug.