Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
Alles overziende is de rechtbank namelijk van oordeel dat zij zich op dit moment niet voldoende voorgelicht acht om een passende straf(maat), mede in het belang van verdachte, te formuleren wat een reden vormt om verdere beslissingen aan te houden en het onderzoek te heropenen. Aan de andere kant wil de rechtbank de verdachte niet langer laten wachten op het standpunt van de rechtbank over de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank zal daarom in dit tussenvonnis haar voorlopig oordeel geven over het bewijs van de aan hem ten laste gelegde feiten en daarna het onderzoek heropenen om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris teneinde zich aanvullend te laten voorlichten over de toerekeningsvatbaarheid en de persoon van verdachte.
4.De beoordeling van het bewijs
- de verklaring van verdachte bij de politie d.d. 22 juni 2011 moet worden uitgesloten van het bewijs nu er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering omdat hij ’s middags in strijd met de jurisprudentie geen bijstand heeft gehad van een raadsman en vanwege de intensieve en indringende manier waarop verdachte op die dag is verhoord (Salduz verweer) ;
- het bewijs voor deze feiten is voornamelijk afkomstig uit één bron, aangeefster [aangeefster 1] , en er moeten vraagtekens gezet worden bij haar betrouwbaarheid; het rapport Wolters is ondeugdelijk en mag niet worden gebruikt;
- er zijn door aangeefster [aangeefster 1] ambigue signalen afgegeven; er is geen sprake van dwang;
- er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking;
- er is niet voldaan aan de drie voorwaarden voor medeplichtigheid.
Hoewel het vreemd lijkt dat [aangeefster 1] na de gebeurtenissen op 30 april zoals zij die duidt, is teruggegaan op 5 mei, heeft zij daarvoor een verklaring gegeven die in haar omstandigheden/vanuit haar perspectief niet ongeloofwaardig is te noemen. Onbegrijpelijk zoals de verdediging dit heeft genoemd, is niet hetzelfde als ongeloofwaardig, onbetrouwbaar of leugenachtig of niet bestaand. De vergelijking door de deskundige Wolters met de praktijken van loverboys of de situaties rondom huiselijk geweld (battered women syndrome) maken dit duidelijk. De volgende opmerkingen van [aangeefster 1] ter zitting (weliswaar over een situatie op 5 mei) ondersteunen deze gedachtengang: “Mij verzetten lukte niet. Ik wilde weg van het bed, maar dan duwden ze mij terug. Een had je vast en de ander zat dan in je. (…) Maar op een gegeven moment ben je half bewusteloos. Je ziet het wel en je hoort het wel, maar toch.” En: “ dat ik als robot functioneerde en dat ik mijn gevoel uitschakelde. (…). U vraagt mij of bij dat uitschakelen van het gevoel de alcohol ook van belang is. Nee. Ik bedoel als zoiets gebeurt dan hoor je wel alles, maar op een gegeven moment komt het niet meer binnen”.
Uiteindelijk worden veel van de details die [aangeefster 1] in haar verklaringen noemt bevestigd in de verklaringen van de medeverdachten. Van belang is volgens de rechtbank met name de bevestiging van de aanwezigheid van verdachten in de woning van medeverdachte [verdachte] de betreffende nacht, wie haar ophaalde, het incident rondom de “ [bijnaam] ” op 30 april, het incident met de vijl/briefopener op 5 mei, wie kwam en wie vertrok, het hebben van seks met haar en een gescheurd condoom. Wat de medeverdachten uiteindelijk ontkennen is de onvrijwilligheid of de dwang bij seks in een op een situaties.
Verder is er op gewezen dat [aangeefster 1] zo gemakkelijk liegt, bijvoorbeeld tegen haar ouders over haar nachtelijke afwezigheid. Echter, uit de MSN-gesprekken van 3 en 4 mei valt af te leiden dat [aangeefster 1] niet zelf de smoes heeft bedacht om tegen haar ouders te zeggen dat ze bij een vriendin zou overnachten.
De rechtbank beschouwt het rapport van de deskundige Wolters niet als een zelfstandig bewijsmiddel maar als een van de weeginstrumenten om de betrouwbaarheid van aangeefster [aangeefster 1] te toetsen. De rechtbank ziet in de rapportage van deskundige Wolters geen contra-indicatie voor de betrouwbaarheid van aangeefster.
De door de rechter-commissaris aan de deskundige Wolters gestelde vraag naar de betrouwbaarheid van aangeefster acht de rechtbank afdoende beantwoord. De verdediging heeft eerder aangegeven niet de deskundigheid van de deskundige Wolters inzake de vraagstelling noch de juistheid van de vraagstelling te betwisten. Er is wel betoogd dat de deskundige Wolters niet de door de verdediging gewenste vraag is voorgelegd en dat de deskundige Wolters ook niet deskundig zou zijn geweest om die vraag te beantwoorden. Hieronder (c) gaat de rechtbank hierop nader in. De rechtbank merkt nu al op dat de verdediging telkens weer de gewenste vraagstelling aan een deskundige anders formuleren.
De rechtbank beschouwt de reactie door de deskundige Wolters ter zitting en zijn brief voornoemd als een voldoende weerlegging van het commentaar door de heer [X] . Hierbij overweegt de rechtbank ten eerste dat de deskundige Wolters geconfronteerd met het commentaar van de heer [X] nog steeds achter zijn handtekening onder het rapport stond. Ten tweede dat de heer [X] noch de beschikking heeft gehad over de tenlastelegging noch over het dossier en dus alleen heeft gelet op de uiterlijke – en dus niet inhoudelijke - aanwijzingspunten in het rapport van de deskundige Wolters. De rechtbank overweegt ten derde dat het weliswaar klopt dat de deskundige Wolters niet de beschikking over het hele dossier heeft gehad maar dat de meeste verdachten tot dan toe ofwel zich hadden beroepen op hun zwijgrecht of hebben ontkend dat ze aanwezig waren. Dat is alleen anders voor de verdachte [medeverdachte 2] die heeft ontkend seksueel contact met aangeefster te hebben gehad, en verdachte die toen deels heeft bevestigd wat aangeefster heeft gezegd en deels heeft ontkend, namelijk zijn eigen aandeel in onvrijwillige seksuele handelingen door hetzij de andere verdachten hetzij door hemzelf. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat Wolters anders bij het schrijven van zijn rapport over de betrouwbaarheid van aangeefster zou hebben gedacht als hij wel de beschikking over de verklaringen van de verdachten zou hebben gehad. Overigens beschikte hij evenmin over andere onderdelen van het dossier, zoals het buurtonderzoek, de resultaten van het forensisch onderzoek (DNA), de resultaten van telecomonderzoek en de verklaringen van andere aangeefsters in deze zaak. De deskundige Wolters vond het zelf geen onoverkomelijk probleem dat hij de opnames van verhoren niet allemaal heeft kunnen beluisteren.
De rechtbank realiseert zich terdege dat de deskundige Wolters heef gerapporteerd voordat de meeste verdachten een verklaring hebben afgelegd over de gebeurtenissen op 30 april of 5 mei. In de verklaringen van aangeefster [aangeefster 1] na het uitbrengen van het rapport ter zitting en bij de rechter-commissaris ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de deskundige (of een andere deskundige) aanvullend te laten rapporteren. Dit geldt eveneens voor de verklaringen van de verdachten afgelegd na het rapport in hun eigen zaak op zitting of als getuige in andere zaken bij de rechter-commissaris.
Ten slotte wijst de rechtbank op de vraagpunten die de deskundige Wolters zelf heeft genoemd, namelijk de vraag of aangeefster voldoende kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks met verdachte(n) wilde en de vraag of de door haar genoemde onvrijwilligheid in combinatie met iedere verdachte gold. Hij had hier, gelet op de stand van het dossier ten tijd van zijn rapportage, niet meer over kunnen zeggen. De rechtbank acht de beantwoording van genoemde vragen overigens voorbehouden aan de rechtbank en ziet daarom niet de noodzaak over deze vragen aanvullend te laten rapporteren.
b
.Het belang van een nieuw onderzoek in het licht van ander bewijsmateriaal: de rechtbank overweegt hierover dat er zich andere, wel zelfstandige bewijsmiddelen in het dossier bevinden die de verklaringen van aangeefster ondersteunen en een bevestiging vormen van de betrouwbaarheid van aangeefster.
De rechtbank verwijst over het verhoor op 22 juni 2011 naar hetgeen hiervoor reeds onder het kopje de politieverhoren is overwogen.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
opdracht aan de deskundigehoudt in om op basis van de eerder hierboven genoemde rapportages en bevindingen van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau jeugdzorg en op basis van de ervaringen van de Bascule aanvullend aan de rechtbank te rapporteren over de vraag welke diagnose de deskundige bij verdachte kan vaststellen en welke interventie en behandeling in dit geval passend is. Daarbij kan de rechtbank zich voorstellen dat de deskundige een belangrijk deel van het onderzoek baseert op de reeds in het dossier aanwezige adviezen waarna het aan de deskundige is om aanvullend met verdachte en diens ouders te spreken. De rechtbank realiseert zich dat dit aanvullende onderzoek belastend is voor verdachte en zijn ouders maar oordeelt dit noodzakelijk om tot een zorgvuldige afweging bij beslissing te komen.
7.De beslissing
- contact te zoeken en/of te onderhouden met die [aangeefster 1] en/of
- die [aangeefster 1] uit te nodigen en/of over te halen om te komen naar zijn,
- één of meermalen aanraken/betasten van de kont en/of de vagina en/of
- met kracht) knijpen in, in elk geval betasten van, een borst en/of de