ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3365
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen aanwijzing stopzetting hulpverlening door Inspectie
De Inspecteur voor de Gezondheidszorg heeft verzoekster op grond van de Kwaliteitswet zorginstellingen een bevel gegeven om op twee locaties geen cliënten meer te huisvesten en begeleiden zolang niet is aangetoond dat verantwoorde zorg wordt geleverd. Tevens werd haar opgedragen de zorg over te dragen aan een andere instelling. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een instelling is in de zin van de wet en dat zij een minimaal niveau van zorg moet garanderen, waaronder toezicht op de leefomgeving van cliënten met een persoonsgebonden budget. Uit inspectiebezoeken bleek dat de zorg onder de maat was en dat er sprake was van verwaarlozing en risicovolle situaties, waaronder het overlijden van een cliënt.
Verzoekster voerde onder meer aan dat de woningen geen locaties van een instelling zijn en dat de Inspectie onrechtmatig heeft gehandeld bij het betreden van woningen. De voorzieningenrechter verwierp deze bezwaren, onder meer omdat alleen de bewoners beschermd worden tegen onrechtmatig binnentreden. Ook werd geoordeeld dat het niet betrekken van de zienswijze van verzoekster bij de besluitvorming een formeel gebrek is dat in bezwaar kan worden hersteld.
De voorzieningenrechter vond dat het belang van de cliënten en de ernst van de situatie onmiddellijke stopzetting van de hulpverlening rechtvaardigen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond om het besluit te schorsen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bevel tot stopzetting van alle hulpverlening is afgewezen.