ECLI:NL:RBUTR:2011:BV5471
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.R. Krol
- E.A. Messer
- P.L.C.M. Ficq
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor drugshandel en deelname criminele organisatie
Verdachte werd beschuldigd van het handelen in diverse harddrugs en softdrugs, deelname aan een criminele organisatie en het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen in een woning. De rechtbank oordeelde dat de tientallen tapgesprekken onvoldoende bewijs leverden voor drugshandel. Ook werden er geen drugs bij verdachte aangetroffen.
Ten aanzien van de deelname aan een criminele organisatie stelde de rechtbank dat niet was gebleken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met gemeenschappelijke regels en doelstellingen, zoals vereist volgens artikel 11a Opiumwet en artikel 140 Wetboek Pro van Strafrecht.
Verder kon niet worden bewezen dat verdachte zich bewust was van de drugs die bij zijn aanhouding in een woning aanwezig waren, noch dat er sprake was van medeplegen. De rechtbank concludeerde dat enkel aanwezig zijn in een woning met drugs onvoldoende is voor een veroordeling.
Op basis van deze overwegingen sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De dagvaarding was geldig, de rechtbank was bevoegd en de officier van justitie ontvankelijk, maar het bewijs voldeed niet aan de wettelijke eisen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.