ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3062
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vermeende medewerking aan concurrerende onderneming
Dyckerhoff verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar directiesecretaresse, die ervan werd beschuldigd haar voormalig leidinggevende te hebben geholpen bij het opzetten van een concurrerende onderneming en bedrijfsgevoelige informatie te hebben doorgespeeld. De werknemer voerde verweer dat zij slechts haar werkzaamheden uitvoerde en niet op de hoogte was van de concurrentieactiviteiten.
De kantonrechter oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren dat de werknemer opdrachten uitvoerde voor haar voormalig leidinggevende, er onvoldoende bewijs was dat zij bewust en zelfstandig handelde in strijd met haar arbeidsovereenkomst. De langdurige samenwerking en het ontbreken van aanwijzingen dat zij op de hoogte was van het concurrentiebeding speelden hierbij een rol.
Ook werd geoordeeld dat het vermeende passieve verzet tegen de nieuwe statutair bestuurder onvoldoende was voor ontbinding. Het opzegverbod tijdens ziekte stond de ontbinding niet per definitie in de weg, maar de ernst van de gedragingen was onvoldoende bewezen. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen en partijen werden geacht zich in te spannen voor voortzetting van de arbeidsrelatie.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schending van verplichtingen door de werknemer.