Overwegingen
1. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is het beroep niet ontvankelijk verklaard, vanwege het vervallen van procesbelang bij beoordeling van het besluit. Tevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om opposanten vergoeding van kosten toe te kennen zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Tevens is het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht verworpen, omdat geen sprake is van intrekking van het besluit van 19 maart 2009.
2. In verzet hebben opposanten aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak van de verkeerde veronderstellingen is uitgegaan en dat de verbanden ontbreken met de rechtspraak van de Raad van State. Ter zitting hebben opposanten meegedeeld dat bij besluit van 17 juni 2009 de bouwvergunning is ingetrokken, terwijl er nog procedures liepen tegen het afgeven van deze vergunning. Volgens opposanten is de bouwvergunning ten onrechte verleend en hebben zij kosten moeten maken die, huns inziens, voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij is gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2010 met nummer 200910125/2/H1, LJN: BL6996. Behalve om vergoeding van proceskosten inzake door derden verleende rechtsbijstand verzoeken opposanten om vergoeding van reis- en verletkosten en van het in het beroep betaalde griffierecht.
3. In deze door opposanten aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling toe te wijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de reden van de intrekking van de bouwvergunning ligt in het feit dat de vergunninghouder, Baarn Beheer B.V., verweerder daarom heeft verzocht. De uitspraak van 3 maart 2010, waar opposanten naar hebben verwezen, betreft een voorlopige voorzieningprocedure. Daarbij is bij wijze van voorlopige voorziening onder meer het besluit van 19 maart 2009 geschorst. Dit is een zogeheten ordemaatregel en ziet daarmee niet op de vraag om welke reden de bouwvergunning van 19 maart 2009 is ingetrokken. Daarvoor is wel van belang de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010, zaaknummer: 200910125/3/H1. Daarin is het verzoek om een proceskostenveroordeling door andere omwonenden van het binnenterrein [adres] te [woonplaats] naar aanleiding van de intrekking van het besluit van 19 maart 2009, eveneens afgewezen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling ziet de rechtbank in de gegeven situatie geen reden in de zaak van opposanten anders te oordelen. Nu de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 niet is gepubliceerd, zal de rechtbank hiervan een afschrift met deze uitspraak meezenden.
4. Wat betreft het verzoek om vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht overweegt de rechtbank dat nu geen sprake is van een intrekking van een besluit waarbij tegemoet gekomen wordt aan de bezwaren van eiser, de rechtbank op grond van artikel 8:41, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze geen bevoegdheid toekomt. In de bestreden uitspraak is afgezien van het gebruik van de bevoegdheid om op grond van 8:74, tweede lid, van de Awb verweerder aan te wijzen als rechtspersoon die het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden. In de door opposanten aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
5. Het beroep van opposanten is dan ook bij de uitspraak waartegen verzet is gedaan terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het verzet is ongegrond.