ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7587
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing erfdienstbaarheid uitweg na ruilverkaveling
In deze zaak vordert eiser primair dat gedaagde verplicht wordt een strook grond, gelegen aan de noordgrens van het perceel van eiser, schriftelijk te koop aan te bieden op grond van een aanbiedingsplicht uit een notariële akte van 3 april 2000. Subsidiair vordert eiser opheffing van een erfdienstbaarheid van uitweg die ten laste van zijn perceel is gevestigd, vanwege onvoorziene omstandigheden ex artikel 5:78 en Pro 5:79 BW.
De rechtbank oordeelt dat de aanbiedingsplicht in de notariële akte is overeengekomen tussen BBL en een derde partij, niet tussen gedaagde of diens rechtsvoorganger en eiser. De strook grond is via ruilverkaveling aan gedaagde toegekend door originaire verkrijging, waardoor de verplichtingen van BBL niet op gedaagde zijn overgegaan. Daarom bestaat geen grond voor toewijzing van de primaire vordering.
Wat betreft de subsidiaire vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid overweegt de rechtbank dat de onvoorziene omstandigheid dat BBL zich niet aan de aanbiedingsplicht houdt, onvoldoende is om opheffing te rechtvaardigen. De erfdienstbaarheid is gehandhaafd bij de ruilverkaveling en gedaagde heeft belang bij handhaving vanwege de uitwegfunctie. De vorderingen van eiser worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en handhaaft de erfdienstbaarheid zonder koopaanbieding van de strook grond.