ECLI:NL:RBUTR:2011:BT2936
Rechtbank Utrecht
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot uitstel verkoop verpande auto’s afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid subrogatie en schade
Appellant, enig aandeelhouder en bestuurder van een holding, heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris die toestemming gaf aan de curator om verpande auto’s te verkopen. Appellant had uit privévermogen een schuld van de gefailleerde aan een leasemaatschappij voldaan en stelde dat hij daardoor subrogatie van het pandhouderschap had verkregen. Hij verzocht de curator te verbieden tot verkoop over te gaan om schade aan de boedel te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van appellant deels betrekking had op een individueel belang en niet op het goede beheer van de boedel, zodat het niet volledig op grond van artikel 69 Fw Pro kon worden behandeld. Desondanks werd het verzoek ontvankelijk verklaard omdat appellant ook stelde dat de boedel schade zou lijden door de verkoop.
Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een gunstig oordeel zou verkrijgen over zijn vordering en pandrecht, noch dat de verkoop schade aan de boedel zou veroorzaken. De curator had een marktconforme verkoopprijs gesteld, terwijl appellant slechts stelde dat hij een hogere prijs kon realiseren zonder dit nader te onderbouwen. Ook het argument dat appellant niet zou hoeven bij te dragen aan faillissementskosten faalde.
De rechtbank bekrachtigde daarom de beschikking van de rechter-commissaris en wees het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beschikking van de rechter-commissaris tot verkoop van de verpande auto’s wordt bekrachtigd.