ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2599

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16-995026-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 173a SrArt. 173b SrArt. 11 ArbeidsomstandighedenwetArt. 33 Arbeidsomstandighedenwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring rechtbank inzake asbestdelicten en arbeidsomstandigheden

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk en wederrechtelijk brengen van asbestvezels in een pand te Veenendaal, en het niet naleven van veiligheidsvoorschriften op de arbeidsplaats. De rechtbank Utrecht oordeelde dat de economische meervoudige kamer voor strafzaken onbevoegd was om kennis te nemen van de tenlastelegging, aangezien geen van de feiten een economisch delict betrof.

De primaire en subsidiaire feiten betroffen strafbare feiten volgens artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het tweede feit betrekking had op een overtreding van artikel 11 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet. Dit laatste is niet strafrechtelijk maar bestuurlijk bestraft met een boete van de eerste categorie.

De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, maar verklaarde zich uiteindelijk onbevoegd om kennis te nemen van de tenlastelegging. Dit betekent dat de zaak niet inhoudelijk door deze kamer kon worden behandeld en dat strafvervolging op het tweede feit niet mogelijk is.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Utrecht, in aanwezigheid van de griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 10 juni 2011.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging wegens gebrek aan bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16-995026-10
vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 10 juni 2011
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1965] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres].
Raadsman: mr. F.J. Majoor, advocaat te Diemen.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 24 mei 2011 en 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:
Feit 1 primair: verdachte in een pand gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal in vereniging opzettelijk en wederrechtelijk asbest(vezels) in de bodem en/of lucht heeft gebracht, waarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;
Feit 1 subsidiair: het aan de schuld van verdachte te wijten is dat in voornoemd pand in vereniging asbest(vezels) in de bodem en/of lucht werd(en) gebracht, waarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;
Feit 2: verdachte in vereniging als werknemer niet overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven instructies zorg heeft gedragen voor de veiligheid en gezondheid van hemzelf en andere betrokkenen door handelingen met asbesthoudende materialen te (laten) verrichten terwijl andere personen in dezelfde ruimte onbeschermd aanwezig en/of aan het werk waren.
3 De voorvragen
3.1 Geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.
3.2 De bevoegdheid van de rechtbank tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten
De rechtbank stelt vast dat de economische meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten aangezien geen van deze feiten een economisch delict betreft.
De onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten zijn strafbaar gesteld in de respectievelijke artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht.
Het onder feit 2 tenlastegelegde betreft de verplichting van de werknemer om in zijn doen en laten op de arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en gezondheid en die van andere betrokken personen, zoals omschreven in artikel 11 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet. Deze gedraging wordt, net als de hiervoor genoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, niet in de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat, in het geval de economische meervoudige kamer voor strafzaken bevoegd zou zijn geweest om kennis te nemen van feiten die op de dagvaarding vermeld staan, het tweede ten laste gelegde feit geen feit is ten aanzien waarvan strafvervolging kan worden ingesteld. Niet naleving van artikel 11 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet wordt in artikel 33, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet namelijk aangemerkt als een overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete van de eerste categorie kan worden opgelegd.
4 De beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.