ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1103
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontuchtige handelingen met minderjarige meisjes
Verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met drie minderjarige meisjes in Veenendaal tussen december 2008 en april 2010. De tenlastelegging omvatte drie feiten waarbij verdachte ontucht zou hebben gepleegd met elk van de meisjes.
Tijdens de terechtzittingen op 14 februari en 27 juni 2011 hebben zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten toegelicht. De officier van justitie concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte te veroordelen en verzocht vrijspraak. De verdediging benadrukte de onwaarschijnlijkheid van de feiten en de tegenstrijdigheden in verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de minderjarige slachtoffers onvoldoende steun vonden in ander bewijs en dat mogelijke beïnvloeding en innerlijke tegenstrijdigheden de betrouwbaarheid aantasten. Ook was er geen direct getuigenbewijs. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte was vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend.
Dit vonnis werd gewezen door de rechtbank Utrecht op 11 juli 2011.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.