ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9114
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor woninginbraak en pogingen tot woninginbraak met bewijsuitsluiting afgewezen
De rechtbank Utrecht heeft op 10 juni 2011 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van één woninginbraak en drie pogingen tot woninginbraak in de periode januari-februari 2011. De tenlastelegging betrof het met braak binnendringen van woningen met het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening.
De verdediging voerde aan dat het bewijs, verkregen na een doorzoeking van de auto van verdachte op grond van artikel 96b Wetboek van Strafvordering, onrechtmatig was omdat er geen heterdaadsituatie of concrete verdenking was. De rechtbank oordeelde echter dat de politie op grond van de omstandigheden en een stijging van woning- en auto-inbraken in het werkgebied voldoende aanleiding had voor de verdenking en de doorzoeking rechtmatig was.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met een ander de woninginbraak en pogingen daartoe had gepleegd, met uitzondering van het bestanddeel medeplegen. Verdachte ontkende de feiten en nam geen verantwoordelijkheid. Gelet op de ernst van de feiten en het ontbreken van eerdere veroordelingen, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor woninginbraak en pogingen daartoe.