ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8140

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
15 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16.711866-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 126gg SvArt. 126v Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte productie en handel hennep en deelname criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Utrecht heeft op 15 juni 2011 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van productie en handel in hennep en hasjiesj, alsmede deelname aan een criminele organisatie. Het onderzoek betrof de periode van januari 2008 tot oktober 2010, met name gericht op een growshop en leveranties van hennepstekken.

De officier van justitie stelde dat verdachte betrokken was bij het lossen van dozen met hennep en dat sms-berichten en camerabeelden dit bevestigden. De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist dat de dozen hennep bevatten en dat er onvoldoende bewijs was voor deelname aan een criminele organisatie. Tevens werd een vormverzuim aangevoerd vanwege onduidelijkheden in het dossier over onderzoeksdata en het gebruik van informanten.

De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was en dat er geen sprake was van een vormfout. Echter, het dossier bevatte onvoldoende bewijs dat verdachte wist dat de dozen hennep bevatten of dat hij deel uitmaakte van een criminele organisatie. Het enkele feit van veelvuldig telefonisch contact met een medeverdachte was onvoldoende om (voorwaardelijk) opzet aan te nemen.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en hief zij het bevel tot voorlopige hechtenis op. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs en kennis van de inhoud van communicatie voor een veroordeling.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en gebrek aan kennis van hennep in de dozen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16.711866-10 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2011
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1977] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
raadsman: mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 mei en 1 juni 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 oktober 2010 zich (samen met anderen bedrijfsmatig) heeft bezig gehouden met de productie van en handel in hennep
2. in de periode van 1 september 2010 tot en met 1 oktober 2010 zich (samen met anderen bedrijfsmatig) heeft bezig gehouden met de productie van en handel in hasjiesj
3. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 oktober 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die de productie van en handel in hennep en hasjiesj tot doel had
3. De voorvragen
3.1. De geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
3.2. De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.
3.3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman is van mening dat er sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a wetboek van strafvordering. Gelukkig is dit uitgekomen door een verschrijving in het dossier. Uit het BOB-verbaal op pag 1787 blijkt dat er eerder een opsporingsonderzoek onder de naam Vrouw is gestart op 8 juni 2009. Hiervan is verder niets bekend. Het huidige onderzoek zou 09vrouw heten, dus een ander onderzoek zijn. Verder wijst de raadsman op het proces-verbaal op pagina 522-532. Hierin staat dat al op 31 mei 2010 de opdracht is gegeven een onderzoek te starten naar de growshop [bedrijf 1]. Verder is een plaatje van een speelkaart zichtbaar dat afwijkt van andere plaatjes van speelkaarten die op het dossier prijken. Hieruit blijkt het om meer”vrouwen” gaat, een nieuwe aanwijzing dat er meer dan een onderzoek “vrouw” is gestart. Ten slotte blijkt uit genoemd proces-verbaal dat er CIE-informatie van zeker 20 verschillende informanten is gebruikt. Algemeen bekend is dat de gebruikte CIE-processen-verbaal slechts een weerslag zijn van veel meer informatie van meer informanten. Het is dus slechts het topje van de ijsberg.
De raadsman haalt uit het voorgaande de volgende drie punten. In de eerste plaats dat er tenminste twee verschillende onderzoeken “Vrouw” zijn gestart en dat van het eerste eigenlijk niets bekend is. De rechtbank kan de betrouwbaarheid en rechtmatigheid hiervan niet toetsen. In de tweede plaats dat er – gelet op de stelselmatigheid van het inwinnen van informatie - sprake moet zijn geweest van een verkennend onderzoek. Een vordering en bevel daartoe op basis van artikel 126gg en verder wetboek van strafvordering ontbreekt echter. In de derde plaats geldt dat indien er geen verkennend onderzoek is geweest, er gebruik moet zijn gemaakt van informanten. Een bevel als bedoeld in artikel 126v wetboek van strafvordering ontbreekt ook in het dossier.
De raadsman concludeert dat er sprake is van een vormfout in die zin dat de officier bewust stukken heeft achtergehouden zodat de rechtbank de opsporingshandelingen niet kan toetsen op rechtmatigheid. Hij vindt dat er maar één consequentie kan zijn: niet-ontvankelijkheid van het OM.
De officier van justitie zegt dat in het BOB-verbaal een verkeerde datum staat. In juni 2009 is wel een project gestart dat op basis van bestaande CIE-informatie, oude processen-verbaal en openbare bronnen (zoals de Kamer van Koophandel) heeft bezien of het de moeite waard is een onderzoek te starten tegen een growshop. Dit project heette “Donderslag”. Dit project is op 1 oktober 2009 geëindigd. Op 1 juni 2010 is het onderzoek “Vrouw” gestart. Hierbij is op enig moment gebruik gemaakt van de gegevens uit het project “Donderslag”. Op 27 september 2010 is bij proces-verbaal een verzoek voor toestemming gedaan om gebruik te maken van de gegevens uit het project “Donderslag”. De officier verwijst naar pagina 629 van het proces-verbaal waarin dit is gerelateerd en waarin duidelijk is aangegeven dat soms data en projectnamen door elkaar zijn gehaald.. Bovendien was hij in juni 2009 op vakantie en zou er onder zijn leiding helemaal geen onderzoek kunnen zijn gestart. Verder zegt hij dat er eerst oude CIE-verbalen uit 2009 zijn gebruikt bij “Donderslag” en in 2010 opnieuw CIE-verbalen zijn toegevoegd. De officier concludeert: geen verkennend onderzoek, geen gebruik van informanten en slechts een verschrijving in een BOB-verbaal wat overigens in het dossier zelf is verantwoord. Er is met andere woorden in zijn ogen geen sprake van een vormfout.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vormfout als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. De rechtbank accepteert de uitleg van de officier van justitie. Een andere verklaring voor de datum 8 juni 2009 is niet aannemelijk geworden. Met het voorkomen van verschillende afbeeldingen in het dossier van een speelkaart “vrouw” en de vele CIE-processen-verbaal in het dossier wordt evenmin een andere uitleg dan die van de officier geeft, aannemelijk. Dit betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.
3.4. Schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van feit 2. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 3 heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte 1] dozen heeft gelost in het magazijn van de growshop en de inhoud van sms-berichten die betrekking zouden hebben op bestellingen van hennepstekken en twee bezoeken van verdachte aan de woning aan de [adres], terwijl uit sms-berichten zou blijken dat in dezelfde periode aan de tenaamgestelde van deze woning hennepstekken werden geleverd door medeverdachte [medeverdachte 2].
4.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het tenlastegelegde. De raadsman wijst er op dat uit niets blijkt dat verdachte ervan op de hoogte was dat de dozen die hij afleverde gebruikt werden voor het vervoeren van hennepstekken. Omdat verdachte niet op de hoogte was van het bestaan van een criminele organisatie, kan hij daar ook geen deel van hebben uitgemaakt.
Daarnaast voert de raadsman aan dat de periode in de tenlastelegging niet juist is, aangezien het onderzoek pas op 1 juni 2010 is aangevangen. Uit jurisprudentie blijkt bovendien dat de [bedrijf 2] te Nieuwegein door meerdere handelaars in softdrugs werd gebruikt en dat om die reden transporten op deze locatie niet zonder meer aan verdachte en medeverdachten kunnen worden toegerekend, zo concludeert de raadsman.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde, reeds omdat onvoldoende blijkt dat verdachte heeft geweten dat de dozen waarbij verdachte betrokken was hennep bevatten of voor het vervoer van hennep zouden worden gebruikt. Het enkele feit dat verdachte veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid van hennep, nu de inhoud van deze telefoongesprekken niet bekend is dan wel uit de inhoud van deze gesprekken geen concrete verwijzing naar hennep voorkomt. Ook het feit dat verdachte een sms-bericht van [medeverdachte 2] heeft ontvangen, draagt daaraan niet bij nu de inhoud van dit sms-bericht niets vermeldt over leveringen van hennep. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij leveranties van hasjiesj.
Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat van betrokkenheid van verdachte bij leveringen van hennep en hasj, is de rechtbank van oordeel dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het plegen van genoemde feiten als oogmerk had. Ook daarvan zal verdachte worden vrijgesproken.
5. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1, 2 en 3;
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorst) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 juni 2011.