ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8067
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Grapperhaus
- A. Wassing
- P.W.G. de Beer
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte handel en productie hennep en hasjiesj en deelname criminele organisatie
De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van bedrijfsmatige productie en handel in hennep en hasjiesj en deelname aan een criminele organisatie gericht op deze handel. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 31 mei en 1 juni 2011.
De officier van justitie baseerde haar bewijs onder meer op een tapgesprek waarin verdachte bestellingen zou doorgeven, overeenkomsten in taalgebruik met sms-berichten van een stekkenboer, en de frequente aanwezigheid van verdachte in een growshop. Verdachte zou ook dozen lossen uit auto's van medeverdachten.
De verdediging betoogde dat het dossier geen bewijs bevatte van betrokkenheid van verdachte bij strafbare feiten. Verdachte werd niet belastend genoemd in getuigenverklaringen en tapgesprekken. Het gesprek met zijn broer over bestellingen werd uitgelegd als zakelijke communicatie in het kader van zijn growshop.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het beeld van de officier van justitie niet onaannemelijk was, het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen. Verdachte was eigenaar van een eenmanszaak en was vaak aanwezig, waardoor handel in hasj onder zijn ogen plaatsvond, maar dat is onvoldoende voor bewijs van betrokkenheid. Verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De rechtbank gelastte tevens de teruggave van in beslag genomen voorwerpen die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij handel en productie van hennep en hasjiesj en deelname aan een criminele organisatie.