ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7177

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
25 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
300083 - HA ZA 11-126
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.C. Hagedoorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
UAV T.I. 1992 paragraaf 49
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing arbitraal beding onaanvaardbaar door verwevenheid hoofd- en vrijwaringszaak

In deze civiele procedure vordert Vitens dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege een arbitraal beding in de overeenkomst tussen partijen. Dit beding bepaalt dat geschillen aan arbiters worden voorgelegd, met uitsluiting van de gewone rechter.

A. Hak erkent de geldigheid van het arbitraal beding, maar stelt dat toepassing ervan in deze situatie onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. De zaak betreft een vrijwaringsvordering die nauw verweven is met de hoofdzaak, waarin beide partijen door een derde partij worden gedagvaard wegens een vermeende onrechtmatige daad.

De rechtbank oordeelt dat het beoordelen van de vrijwaringszaak door arbiters, terwijl de hoofdzaak reeds bij deze rechtbank aanhangig is, onaanvaardbaar is. Dit vanwege de verwevenheid van het feitencomplex, de betrokkenheid van partijen in beide zaken en proceseconomische overwegingen.

De vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen en de zaak wordt op 6 juli 2011 hervat voor de conclusie van antwoord. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep op het arbitraal beding af en verklaart zich bevoegd de zaak te behandelen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector Civiel
Handelskamer
zaaknummer / rolnummer: 300083 / HA ZA 11-126
Vonnis in incident van 25 mei 2011
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
A. HAK INFRANET B.V.,
gevestigd te Tricht,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.M. van Noort,
tegen
naamloze vennootschap
VITENS N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P. van den Broek.
Partijen zullen hierna A. Hak en Vitens genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. Vitens vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Tussen partijen is een overeenkomst gesloten waarin is verwezen naar de UAV T.I. 1992. De UAV bevat in paragraaf 49 een arbitraal beding waarin is bepaald dat geschillen met uitsluiting van de gewone rechter worden voorgelegd aan arbiters overeenkomstig de regelen van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland. A. Hak erkent dat dit arbitraal beding op de relatie tussen partijen van toepassing is. Zij stelt zich echter dat de redelijkheid en billijkheid zich in de omstandigheden van dit geval verzetten tegen toepassing van het arbitraal beding.
2.2. De onderhavige zaak is een vrijwaringszaak. In de hoofdzaak zijn beide partijen gedagvaard door Nationale Nederlanden N.V. op grond van een door Nationale Nederlanden gestelde onrechtmatige daad. Deze vrijwaringszaak heeft tot onderwerp de vraag of A. Hak, indien zij in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden, haar schade op Vitens kan verhalen. A. Hak stelt dat zij gewerkt heeft op basis van de instructies van Vitens. Zowel in de hoofdzaak als, bij toewijzing van de vordering tegen A. Hak, in de vrijwaringszaak zal aan de orde moeten komen hoe het werk is uitgevoerd en welke instructies Vitens daarbij heeft verstrekt. Het feitencomplex in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak is aldus nauw verweven.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat toepassing van de arbitrageclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Doordat de hoofdzaak al bij deze rechtbank aanhangig is, beide partijen in die hoofdzaak als gedaagde betrokken zijn en naar verwachting de beoordeling van de feiten in de hoofdzaak van invloed zal zijn op de beoordeling in de vrijwaringszaak is de rechtbank van oordeel dat het beoordelen van de vrijwaringszaak door niet alleen een andere rechter, maar door een geheel andere instantie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook op proceseconomische gronden is dit onwenselijk.
2.4. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juli 2011 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.?