ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5170
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheidsverzekering en polisinterpretatie bij chronische vermoeidheid en burn-out
De zaak betreft een geschil tussen eiser en verzekeraar Movir over de uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Eiser meldt zich in 1999 voor 30% arbeidsongeschikt wegens vermoeidheidsklachten, burn-out en chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Movir wijst dekking af op basis van medische rapportages die geen objectief medisch vastgestelde stoornis in de zin van de polis erkennen.
Diverse medische deskundigen rapporteren over de aard van de klachten. Psychiatrische rapporten wijzen uit dat er geen sprake is van een psychiatrische ziekte of burn-out, terwijl vermoeidheidsklachten wel worden erkend. De verzekeringsarts concludeert dat de vermindering van arbeidsprestatie een verstandige keuze is en niet het gevolg van ziekte. Eiser werkt ondanks klachten nog steeds aanzienlijk veel uren.
De rechtbank overweegt dat het begrip ziekte in de polis moet worden uitgelegd volgens algemeen taalgebruik en dat objectief medisch vastgestelde stoornissen vereist zijn. De rechtbank oordeelt dat burn-out niet is vastgesteld, maar dat onvoldoende medische informatie beschikbaar is om te bepalen of CVS aanwezig is. Daarom beveelt de rechtbank een deskundigenonderzoek om vast te stellen of eiser aan CVS lijdt en in hoeverre dit hem beperkt in zijn beroepsuitoefening. De zaak wordt aangehouden voor nadere procedurele stappen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt deskundigenonderzoek naar CVS en arbeidsongeschiktheid en houdt verdere beslissing aan.