ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2360
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling en opheffing conservatoir beslag afgewezen wegens verjaring
Partijen werkten van 1990 tot 2000 samen binnen de onderneming van eiseres. Na beëindiging van de samenwerking in 2000 ontstond een geschil over een rekening-courantsaldo en bankrekeningen die door eiseres waren gebruikt met toestemming van gedaagde. Eiseres vorderde betaling van een groot bedrag vermeerderd met rente, terwijl gedaagde verweer voerde dat de vordering verjaard was.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tot betaling van het rekening-courantsaldo en het banksaldo verjaard was, omdat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken zonder tijdige stuiting. De briefwisseling tussen partijen in 2002 en 2004 was onvoldoende om een ondubbelzinnig voorbehoud tot nakoming te vormen. Ook het beroep van eiseres op redelijkheid en billijkheid faalde.
Daarnaast werd geoordeeld dat het conservatoir beslag dat eiseres had gelegd ten onrechte was gelegd, maar dat opheffing daarvan niet toewijsbaar was wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden. De vorderingen in conventie en reconventie werden afgewezen en partijen werden in de proceskosten veroordeeld in overeenstemming met het resultaat.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiseres af wegens verjaring en verklaart het conservatoir beslag ten onrechte gelegd, maar wijst de opheffing daarvan af.