ECLI:NL:RBUTR:2010:BT7157
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing van beslag wegens niet-ontvankelijkheid beroep op artikel 1:89 BW
De zaak betreft een geschil tussen [eiser], directeur en enig aandeelhouder van [eiser] Projectontwikkeling B.V., en Runica B.V. over de geldigheid van een beslaglegging. Runica had een geldleningsovereenkomst gesloten met [eiser] en zijn vennootschap voor een investering in een project in Boedapest. Na wanbetaling legde Runica beslag op onroerende zaken van [eiser].
[eiser] vorderde opheffing van het beslag omdat zijn echtgenote een beroep had gedaan op artikel 1:89 BW Pro, stellende dat de overeenkomst zonder haar toestemming was gesloten en daardoor vernietigbaar was. De rechtbank onderzocht of het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW Pro van toepassing was en of de uitzondering voor normale bedrijfsuitoefening van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat [eiser] zich als hoofdelijk medeschuldenaar had verbonden en dat de lening binnen de normale bedrijfsuitoefening van zijn vennootschap viel. Het beroep op vernietiging door de echtgenote werd voorshands niet gehonoreerd. Het belang van Runica bij handhaving van het beslag woog zwaarder dan het belang van [eiser] bij opheffing. De vordering tot opheffing van het beslag werd afgewezen en [eiser] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.