ECLI:NL:RBUTR:2010:BP5703
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vervanging gezinsvoogdijinstelling ondertoezichtstelling
De moeder verzocht de rechtbank om de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar kinderen door [X] Jeugdbescherming (WSJ) over te dragen aan Bureau Jeugdzorg (BJZ), vanwege gebrek aan vertrouwen in de huidige gezinsvoogd. De moeder stelde dat de gezinsvoogd noodzakelijke hulp weigerde en onvoldoende oog had voor het welzijn van de kinderen.
De WSJ, de vader, BJZ en de Raad voor de Kinderbescherming verzetten zich tegen dit verzoek. Zij stelden dat de problemen vooral voortkomen uit de houding van de moeder en haar partner, en dat een nieuwe gezinsvoogdijinstelling waarschijnlijk dezelfde problemen zou ondervinden. De vader was tevreden over de WSJ en benadrukte het belang van continuïteit.
De kinderrechter oordeelde dat zij bevoegd was om te beslissen op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het belang van de kinderen is het criterium voor vervanging. Ondanks de moeizame samenwerking met de moeder, was er geen aanwijzing dat WSJ de belangen van de kinderen uit het oog verloor. De problemen leken vooral voort te komen uit de onwil van de moeder ten aanzien van omgang met de vader.
De kinderrechter concludeerde dat vervanging van WSJ door BJZ niet in het belang van de kinderen is en wees het verzoek af. De uitvoering van de ondertoezichtstelling blijft bij WSJ.
Uitkomst: Het verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdijinstelling wordt afgewezen omdat dit niet in het belang van de kinderen is.