ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4279
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering schadevergoeding Bopz-patiënt wegens rechtmatige afzondering
De patiënt, lijdend aan een ernstige vorm van schizofrenie, werd na een incident waarbij hij een medebewoner met een mes stak, overgeplaatst naar een gesloten afdeling waar hij onder strikte begeleiding verbleef. Diverse vormen van afzondering en separatie werden toegepast, opgenomen in het zorgplan, en waren gericht op het voorkomen van gevaar voor patiënt en omgeving.
De patiënt verzette zich tegen de behandeling en beperkte bewegingsvrijheid, waarna hij een vordering tot schadevergoeding instelde wegens vermeende wanprestatie en onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelde dat de toegepaste afzonderingen en separaties in overeenstemming waren met artikel 38 lid 5 en Pro artikel 39 Wet Pro Bopz, inclusief de maximale duur van afzondering zoals bepaald in het Besluit middelen en maatregelen.
De rechtbank stelde vast dat de vrijheidsbeperking noodzakelijk was om gevaar af te wenden en dat de medische beoordeling door een deskundige vooraf was gebeurd, conform jurisprudentie van het EHRM. De klachtcommissie had de klacht van de patiënt gegrond verklaard, maar dit betrof geen oordeel over onrechtmatigheid. De vorderingen werden daarom afgewezen en de patiënt werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding af omdat de afzondering en separatie rechtmatig waren volgens de Wet Bopz.