ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3679
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering schadevergoeding en terugkomen op tussenvonnis afgewezen in handelsgeschil tussen Hesse GmbH en PPG Industrial Coatings
In deze civiele zaak tussen de Duitse vennootschap Hesse GmbH & Co en PPG Industrial Coatings B.V. staat de hoogte van de schadevergoeding centraal na beëindiging van een supply agreement. PPG verzocht de rechtbank terug te komen op het tussenvonnis van 14 april 2010, waarin reeds enkele eindbeslissingen waren genomen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat PPG haar stellingen te laat en onvoldoende had onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat PPG onterecht de overeenkomst wilde beëindigen en dat Hesse zich terecht op haar opschortingsrecht had beroepen vanwege betalingsachterstanden. De overeenkomst werd geacht te zijn beëindigd op 18 juni 2008, rekening houdend met een opzegtermijn van zes maanden vanaf 18 december 2007.
Ten aanzien van de schadevergoeding werd een bedrag van EUR 133.480,36 toegewezen voor voorraden gereed product en grondstoffen, en EUR 19.380,88 voor huur van vloeistofcontainers. De vordering voor opslagkosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De gevorderde winstderving van EUR 361.870,65 werd eveneens afgewezen omdat Hesse deze onvoldoende had gemotiveerd.
PPG werd veroordeeld tot betaling van de toegewezen bedragen vermeerderd met wettelijke rente en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: PPG wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Hesse, terwijl het verzoek om terug te komen op het tussenvonnis wordt afgewezen.