ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3677
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank Utrecht bij derdenbeding in raamovereenkomst bevestigd
In deze zaak stond een bevoegdheidsincident centraal waarbij Rabobank stelde dat de rechtbank Utrecht onbevoegd was om te oordelen over het geschil. De kern van het geschil betrof de uitleg en toepassing van een derdenbeding in een raamovereenkomst tussen Source Automation B.V. en Ram en Co B.V., waarbij Tamanco, een marketingdeskundige, aanspraak maakte op rechten uit deze overeenkomst.
Tamanco voerde aan dat hij op grond van de artikelen 6:253 en 6:254 BW partij was geworden bij de raamovereenkomst en daardoor een rechtstreeks vorderingsrecht had jegens Source. Rabobank betwistte dit en stelde dat de rechtbank Utrecht niet bevoegd was, aangezien Rabobank en Source in andere arrondissementen gevestigd zijn en het derdenbeding niet van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het derdenbeding in artikel 1 lid 3 van Pro de raamovereenkomst inderdaad een recht voor Tamanco schept om zich op artikel 16 lid 2 te Pro beroepen, dat bepaalt dat geschillen aan de rechtbank Utrecht worden voorgelegd. Hierdoor was de rechtbank Utrecht bevoegd, ook ten aanzien van Rabobank, gelet op de samenhang van de vorderingen. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring werd afgewezen en Rabobank werd veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank Utrecht verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring van Rabobank af.