ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6030
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling restant schuld en verjaring van overeenkomstige lening
Partijen hadden een affectieve relatie waarbij eiseres geld ter beschikking stelde aan gedaagde. Na beëindiging sloten zij een schriftelijke overeenkomst over terugbetaling van de schuld van circa 35.620 gulden met rente, met een uiterste betalingstermijn van 1 april 2002.
Gedaagde betaalde in 2001 een deel terug, maar stopte daarna met betalingen. Eiseres vordert betaling van het restantbedrag van 18.432,42 euro plus rente. Gedaagde erkent de schuld deels maar betwist volledige terugbetaling en beroept zich op verjaring.
De rechtbank oordeelt dat gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat een deel van de schuld in natura is voldaan, en dat de vordering per 1 april 2002 opeisbaar werd. De verjaringstermijn van vijf jaar is derhalve in principe verstreken in 2007. Eiseres betoogt dat verjaring is gestuit door erkenning van schuld in telefoongesprekken tot 2006, maar gedaagde betwist dit. De rechtbank staat eiseres toe bewijs te leveren van stuiting via getuigenverhoor en/of bewijsstukken.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat bewijs is geleverd over de stuiting van verjaring.
Uitkomst: Bewijslevering over stuiting van verjaring wordt toegelaten en verdere beslissing wordt aangehouden.