ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4353
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen kennelijk onredelijk wegens onjuiste toepassing afspiegelingsbeginsel
De werknemer trad in 1995 in dienst bij de werkgever en werkte vrijwel zijn gehele dienstverband bij dezelfde onderneming. Na een kortdurende arbeidsovereenkomst bij een dochteronderneming werd de arbeidsovereenkomst voortgezet bij de moedermaatschappij. De werkgever vroeg en verkreeg ontslagvergunning bij het UWV wegens bedrijfseconomische omstandigheden en sprak het ontslag uit per 1 augustus 2009.
De werknemer stelde dat het ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk was, onder meer omdat de werkgever de ontslagvergunning door misleiding had verkregen en het afspiegelingsbeginsel onjuist had toegepast. De werkgever voerde bedrijfseconomische noodzaak aan en legde financiële gegevens en reorganisatieplannen over.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet was onderbroken en dat het afspiegelingsbeginsel onjuist was toegepast door uit te gaan van een verkeerde indiensttredingsdatum en een fictieve functietitel. Hierdoor was het ontslag kennelijk onredelijk en was de werkgever tekortgeschoten in zijn verplichtingen als goed werkgever.
De kantonrechter kende een schadevergoeding toe van €9.904,02 bruto, vermeerderd met wettelijke rente, en veroordeelde de werkgever tot betaling van proceskosten. De keuze van de werknemer voor een lagere, directe uitkering werd niet als eigen schuld aangemerkt. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Ontslag wordt kennelijk onredelijk verklaard en werkgever wordt veroordeeld tot betaling van €9.904,02 schadevergoeding en proceskosten.