ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9271
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van VUT-overgangsregeling in CAO tussen werknemer en werkgever
De werknemer, sinds 1 januari 2000 in dienst bij SBZ, vorderde dat hij recht heeft op deelname aan de VUT-overgangsregeling zoals opgenomen in de CAO, die een vervroegde uittreding op 61,5-jarige leeftijd mogelijk maakt. De werkgever stelde dat alleen werknemers die vóór 1 januari 2000 in dienst waren, aanspraak kunnen maken op deze regeling.
De rechtbank onderzocht de tekst en context van de CAO, waarbij zij de zogenoemde CAO-uitlegnorm toepaste. Hierbij werd gekeken naar de bewoordingen, de ratio van de regeling als overgangsregeling en de redelijkheid van de uitkomst. De rechtbank concludeerde dat de VUT-overgangsregeling alleen bedoeld is voor werknemers die vóór 1 januari 2000 al rechten aan de oorspronkelijke VUT-regeling hadden opgebouwd.
De taalkundige wijziging van de tijdsvorm in de CAO vanaf 2006 werd niet als doorslaggevend gezien. De rechtbank vond het aannemelijk dat de regeling per 1 januari 2000 in werking trad en dat werknemers die op die datum of later in dienst traden, niet onder de overgangsregeling vallen.
De vordering van de werknemer werd afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering van werknemer tot toepassing van de VUT-overgangsregeling wordt afgewezen.